Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:9691
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,664 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/16915
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. Van der Lei).
Inleiding
1. Met het besluit van 12 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf afgewezen. Hiertegen is eiser in bezwaar gegaan.
1.1.
Met het besluit van 2 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de referent en tevens gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 30 mei 2024 een aanvraag voor een visum kort verblijf met als doel een familiebezoek gedaan voor de periode van 13 juli 2024 tot en met 27 augustus 2024. Hiertoe zijn een geboorteakte, vluchtgegevens, reisverzekering, paspoort en gegevens van een lokale garantsteller, de heer [naam 1] , overgelegd.
2.1.
De visumaanvraag is met het besluit van 12 juni 2024 afgewezen, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten en het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond.
2.2.
In bezwaar heeft eiser gegevens van de referent [naam 2] overgelegd waar eiser bij wil verblijven voor een vriendschappelijk bezoek, kennismaking met de referent en kennismaking met de Nederlandse cultuur.
2.3.
In het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, omdat de gestelde relatie met referent niet is onderbouwd en daarmee het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Daarnaast is de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. Eiser voert aan dat zijn ouders en broer een sterke reden voor zijn terugkeer zijn. Zijn ouders worden steeds ouder en hebben hulp nodig. Zijn broer kan niet alleen voor hen zorgen. Hij heeft een sociaal netwerk in Marokko waarnaar hij wil terugkeren. Daarnaast moet eiser zijn studie afmaken. Hiertoe heeft eiser zijn collegepas, inschrijfbewijs, vervolgcertificaat en een verklaring van verlof overgelegd. Omdat eiser op dit moment student is, kan hij geen stabiel of vast inkomen hebben. Vanwege zijn school is hij echter verplicht om terug te keren naar Marokko. Verder wil eiser voor een vriendschappelijk bezoek naar Nederland komen om kennis te maken met de referent en om de Nederlandse cultuur te leren kennen. Eiser heeft daarnaast een retourticket geboekt en daarmee toont hij aan dat hij van plan is om terug te keren naar Marokko binnen de termijn van het visum.
4.1.
De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, onder a en b, van de Visumcode staat, dat een visum wordt geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Verweerder kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Eiser heeft aangegeven kennis te willen maken met referent en de Nederlandse cultuur te leren kennen. Daarmee heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt wat het doel van zijn verblijf is. Ter zitting is bovendien gebleken dat de referent twijfels heeft bij het beweerde doel van het verblijf van eiser en dat zij elkaar nog niet persoonlijk kennen en elkaar niet spreken vanwege de taalbarrière.
4.3.
Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat de economische en sociale binding van eiser met Marokko onvoldoende is aangetoond. Eisers standpunt dat hij voor zijn ouders moet zorgen en dat hij terug moet naar school, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit die stukken die eiser heeft overgelegd met betrekking tot de inschrijving van zijn school, blijkt onvoldoende dat eiser zodanige sociale banden met Marokko heeft, dat hij tijdig zal terugkeren. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen economische binding met het land heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt.
4.4.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande, verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank in de zaak met zaaknummer AWB 24/16915, verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zoals volgt uit artikel 32, eerste lid, onder a ii, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).
Zoals volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak [naam 3] tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/16915
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. Van der Lei).
Inleiding
1. Met het besluit van 12 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf afgewezen. Hiertegen is eiser in bezwaar gegaan.
1.1.
Met het besluit van 2 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de referent en tevens gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 30 mei 2024 een aanvraag voor een visum kort verblijf met als doel een familiebezoek gedaan voor de periode van 13 juli 2024 tot en met 27 augustus 2024. Hiertoe zijn een geboorteakte, vluchtgegevens, reisverzekering, paspoort en gegevens van een lokale garantsteller, de heer [naam 1] , overgelegd.
2.1.
De visumaanvraag is met het besluit van 12 juni 2024 afgewezen, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten en het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond.
2.2.
In bezwaar heeft eiser gegevens van de referent [naam 2] overgelegd waar eiser bij wil verblijven voor een vriendschappelijk bezoek, kennismaking met de referent en kennismaking met de Nederlandse cultuur.
2.3.
In het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, omdat de gestelde relatie met referent niet is onderbouwd en daarmee het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Daarnaast is de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. Eiser voert aan dat zijn ouders en broer een sterke reden voor zijn terugkeer zijn. Zijn ouders worden steeds ouder en hebben hulp nodig. Zijn broer kan niet alleen voor hen zorgen. Hij heeft een sociaal netwerk in Marokko waarnaar hij wil terugkeren. Daarnaast moet eiser zijn studie afmaken. Hiertoe heeft eiser zijn collegepas, inschrijfbewijs, vervolgcertificaat en een verklaring van verlof overgelegd. Omdat eiser op dit moment student is, kan hij geen stabiel of vast inkomen hebben. Vanwege zijn school is hij echter verplicht om terug te keren naar Marokko. Verder wil eiser voor een vriendschappelijk bezoek naar Nederland komen om kennis te maken met de referent en om de Nederlandse cultuur te leren kennen. Eiser heeft daarnaast een retourticket geboekt en daarmee toont hij aan dat hij van plan is om terug te keren naar Marokko binnen de termijn van het visum.
4.1.
De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, onder a en b, van de Visumcode staat, dat een visum wordt geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Verweerder kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Eiser heeft aangegeven kennis te willen maken met referent en de Nederlandse cultuur te leren kennen. Daarmee heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt wat het doel van zijn verblijf is. Ter zitting is bovendien gebleken dat de referent twijfels heeft bij het beweerde doel van het verblijf van eiser en dat zij elkaar nog niet persoonlijk kennen en elkaar niet spreken vanwege de taalbarrière.
4.3.
Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat de economische en sociale binding van eiser met Marokko onvoldoende is aangetoond. Eisers standpunt dat hij voor zijn ouders moet zorgen en dat hij terug moet naar school, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit die stukken die eiser heeft overgelegd met betrekking tot de inschrijving van zijn school, blijkt onvoldoende dat eiser zodanige sociale banden met Marokko heeft, dat hij tijdig zal terugkeren. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen economische binding met het land heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt.
4.4.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande, verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank in de zaak met zaaknummer AWB 24/16915, verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zoals volgt uit artikel 32, eerste lid, onder a ii, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).
Zoals volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak [naam 3] tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.