Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:9661
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,925 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43179
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. Ozturk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft op 1 augustus 2024 een aanvraag gedaan tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel: ‘familie en gezin’. Verzoeker wenst verblijf bij zijn echtgenote, [referent] (hierna: ‘referent’). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting van 17 april 2025. Partijen hebben de voorzieningenrechter vervolgens schriftelijk toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
Beoordeling
2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De minister heeft in een brief van 26 maart 2025 laten weten dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, waardoor rechtmatig verblijf ontstaat. Volgens verweerder kan daarom een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege worden gelaten. Verzoeker heeft in reactie op deze brief laten weten eveneens toestemming te geven de zitting achterwege te laten en de rechtbank verzocht om op basis van de stukken uitspraak te doen.
4. Nu partijen het erover eens zijn dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting van verzoeker totdat de beslissing op het bezwaar bekend is gemaakt.
5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Dat punt heeft een waarde van € 907,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 907,-. De minister dient ook het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoeker uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43179
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. Ozturk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft op 1 augustus 2024 een aanvraag gedaan tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel: ‘familie en gezin’. Verzoeker wenst verblijf bij zijn echtgenote, [referent] (hierna: ‘referent’). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting van 17 april 2025. Partijen hebben de voorzieningenrechter vervolgens schriftelijk toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
Beoordeling
2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De minister heeft in een brief van 26 maart 2025 laten weten dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, waardoor rechtmatig verblijf ontstaat. Volgens verweerder kan daarom een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege worden gelaten. Verzoeker heeft in reactie op deze brief laten weten eveneens toestemming te geven de zitting achterwege te laten en de rechtbank verzocht om op basis van de stukken uitspraak te doen.
4. Nu partijen het erover eens zijn dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting van verzoeker totdat de beslissing op het bezwaar bekend is gemaakt.
5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Dat punt heeft een waarde van € 907,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 907,-. De minister dient ook het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoeker uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43179
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. Ozturk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft op 1 augustus 2024 een aanvraag gedaan tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel: ‘familie en gezin’. Verzoeker wenst verblijf bij zijn echtgenote, [referent] (hierna: ‘referent’). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting van 17 april 2025. Partijen hebben de voorzieningenrechter vervolgens schriftelijk toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
Beoordeling
2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De minister heeft in een brief van 26 maart 2025 laten weten dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, waardoor rechtmatig verblijf ontstaat. Volgens verweerder kan daarom een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege worden gelaten. Verzoeker heeft in reactie op deze brief laten weten eveneens toestemming te geven de zitting achterwege te laten en de rechtbank verzocht om op basis van de stukken uitspraak te doen.
4. Nu partijen het erover eens zijn dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting van verzoeker totdat de beslissing op het bezwaar bekend is gemaakt.
5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Dat punt heeft een waarde van € 907,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 907,-. De minister dient ook het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoeker uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.