Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:9651
Civiel recht; Aanbestedingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,912 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/678021 / KG ZA 25-1
Vonnis in kort geding van 24 februari 2025
in de zaak van
Aannemersbedrijf [eiseres] BV te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
advocaat mr. J. Haest te Den Haag,
tegen:
Gemeente Westland te Naaldwijk, gemeente Westland,
gedaagde,
advocaat mr. E. Bregonje te Terneuzen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Gemeente’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord van de Gemeente, met producties.
1.2.
Op 10 februari 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door [eiseres] pleitnotities overgelegd. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Gemeente heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de opdracht “reconstructie Vredebestlaan te Poeldijk”. Voor zover in dit kort geding relevant, bestaan de werkzaamheden uit het verwijderen van bestaande damwanden en aanbrengen van nieuwe stalen damwanden.
2.2.
Op de aanbesteding zijn de Aanbestedingswet 2012 (Aw), de Uniforme Administratie Voorwaarden 2012 (UAV 2012), de RAW-bepalingen en het Aanbestedingsreglement Werken 2016 (ARW 2016) van toepassing. Het gunningscriterium is beste prijs-kwaliteit verhouding, waarbij prijs voor 40% en kwaliteit voor 60% meetelt. De Gemeente wil met één inschrijver een overeenkomst sluiten.
2.3.
In het Beschrijvend document staat in paragraaf 6.5 vermeld dat de minimumeisen die de Gemeente stelt aan de uitvoering van de opdracht staan vermeld in het Bestek en de bijlagen behorende bij het Bestek. Inschrijvers moeten onvoorwaardelijk instemmen met de minimumeisen, bij gebreke waarvan een inschrijving als ongeldig terzijde wordt gelegd.
2.4.
Voor het subgunningscriterium kwaliteit moeten inschrijvers een plan van aanpak indienen. Hierover staat het volgende in het Beschrijvend document:
De BLVC-aspecten zijn Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie. De plannen van aanpak worden beoordeeld door een beoordelingsteam. Voor zover nu relevant krijgt een inschrijver bij de beoordeling ‘goed’ 80% en bij een beoordeling ‘uitstekend’ 100% van de punten voor het subgunningscriterium kwaliteit.
2.5.
Bijlage 4 bij het Beschrijvend document is het Bestek. Uit artikel 04 van deel 2.1 (Algemene gegevens) van het Bestek blijkt dat vergunningen onderdeel uitmaken van het Bestek. In artikel 08 van deel 2.1 van het Bestek staat het volgende:
Verder staat in deel 3 (Bepalingen) van het Bestek onder meer, en voor zover nu relevant, het volgende:
2.6.
Op 17 mei 2024 is op aanvraag van de Gemeente door het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: het Hoogheemraadschap) een Watervergunning afgegeven (hierna: de Watervergunning) ten behoeve van de uit te voeren werkzaamheden die onderwerp zijn van dit kort geding. In de Watervergunning staat onder meer het volgende:
“3 Overwegingen
(…)
Uitvoering vanaf het water
Een deel van de werkzaamheden wordt op pontons vanaf het water uitgevoerd. Het is momenteel nog niet bekend met welke combinatie pontons op het water wordt gewerkt. In overleg met de aanvrager zijn in deze vergunning voorschriften overgenomen uit de watervergunning van de reeds gerealiseerde oeverbescherming langs de Vredebestlaan.
Uitvoering vanaf het land
Een deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd vanaf het land. Het is echter nog niet bekend met welk materieel de werkzaamheden wordt uitgevoerd. Op verzoek van de aanvrager wordt een aantal voorschriften in deze vergunning opgenomen die betrekking hebben op de inzet van materieel, waarbij speciale aandacht wordt gegeven aan de lokale hoge stempelkrachten.
4Voorschriften
(…)
4.1.2.
Uitvoeringstermijn
De vergunde werkzaamheden moeten zijn uitgevoerd binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning.
(…)
4.3.3
Inzet pontons in primair boezemwater
1. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden mag de doorstroming in het primair boezemwater niet worden belemmerd.
2. Er mogen maximaal drie pontons (of samenstel van pontons) worden toegepast met de maximale afmetingen van 16,8 m lang en 4,2 m breed (één ponton) resp. 12,6 m lang en 4,2 m breed (twee pontons).
3. De diepgang van de pontons mag maximaal 0,55 m zijn.
4. Buiten werktijden en in het weekend moeten de drijvende objecten afgekoppeld worden en de individuele drijvende objecten in de lengterichting langs een oeverlijn worden geplaatst om de doorstroming in het primair boezemwater te waarborgen.
5. Aan de vaarwegzijde van de pontons mogen geen uitstekende delen aanwezig zijn die het onderhoud en/of het recreatief gebruik van het oppervlaktewaterlichaam hinderen.
6. De drijvende objecten op het primair boezemwater worden uitsluitend gebruikt gedurende de bouwfase. Na uitvoeren van de werkzaamheden dienen de drijvende objecten direct uit het primair boezemwater te worden verwijderd.
7. De drijvende objecten moet in drijvende staat worden gehouden en altijd vrij kunnen meebewegen met het heersende waterpeil.
8. Drijf)vuil ter plaatse van en rondom de drijvende objecten (tot 1,0 m afstand) moet worden verwijderd.
9. Op aanwijzing van Delfland moet de vergunninghouder op eigen kosten de drijvende objecten binnen een uur verplaatsen en/of verwijderen in geval van calamiteiten (zoals neerslagtekort of neerslagoverschot > 50 mm/24 uur).”
In de bij de Watervergunning verstrekte toelichting staat nog het volgende:
“
Wijziging van het besluit
De aanvrager en de vergunninghouder kunnen een verzoek indienen om het besluit te wijzigen. Dit verzoek doorloopt meestal dezelfde procedure als het oorspronkelijke besluit. Houdt u dus rekening met deze extra doorlooptijd voordat u begint met de werkzaamheden. Ook voor een wijzigingsbesluit worden leges in rekening gebracht.”
2.7.
In de eerste Nota van Inlichtingen (NvI) staat bij vraag 22 en het antwoord daarop, het volgende:
“In de watervergunning, par 4.3.1 lid 2 staat aangegeven: "Er mogen geen funderingspalen of tijdelijke hulpconstructies in het water worden geplaatst.". Wij nemen aan dat wij deze eis moeten lezen in het kader van par. 4.3.1 lid 1 ("Tijdens de uitvoering van de werken mag de doorstroming van het water niet verder worden verminderd dan vergund."). Kunt u dit bevestigen?
Zie 4.3.3 voor wat vergunningstechnisch is toegestaan. Indien de aannemer een andere interpretatie heeft, is het aan hem om dit af te stemmen met HHvD
tijdens de uitvoering van het werk en eventueel aanvullende vergunningen t.b.v. uitvoering aan te vragen. De opdrachtgever is hier verder niet voor verantwoordelijk.”
2.8.
In de tweede NvI staat bij vraag 2.23 en het antwoord daarop het volgende:
“In de Watervergunning voor de vervanging van de damwanden is in par. 4.3.3 lid 2 aangegeven dat er maximaal 3 pontons of samenstel van pontons wordt toegepast. Vervolgens wordt er een maat van 16,8 meter lang en 4,2 meter breed gegeven en bij 2 pontons resp. 12,5 meter lang en 4,2 meter breed. Betekent dit in totaal 25 meter lengte? Hoe zit het bij 3 pontons?
Nee. De maximale afmeting is 16,8 meter lang en 4,2 meter breed. Indien de aannemer een andere interpretatie heeft, is het aan hem om dit af te stemmen met HHvD tijdens de uitvoering van het werk en eventueel aanvullende vergunningen t.b.v. uitvoering aan te vragen.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven:
primair: de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan de door haar geuite voorlopige gunning en de Gemeente te gebieden, voor zover zij het werk nog wil gunnen, het werk aan geen ander te gunnen dan aan [eiseres] ;
subsidiair: de Gemeente te gebieden, voor zover zij het werk nog wil gunnen, over te gaan tot herbeoordeling van de plannen van aanpak door een nieuwe onafhankelijke beoordelingscommissie met inachtneming van de gestelde eisen en voorwaarden;
meer subsidiair: de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan de door haar geuite voorlopige gunningsbeslissing en de Gemeente te gebieden over te gaan tot heraanbesteding;
alles met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [bedrijfsnaam] voert de damwandwerkzaamheden uit vanaf het water en zij doet dat op zo’n manier dat zij niet kan voldoen aan lid 4 van artikel 4.3.3 van de Watervergunning. Hierdoor heeft [bedrijfsnaam] een ongeldige inschrijving gedaan, omdat zij niet voldoet aan de minimumeisen die zijn opgenomen in het Bestek en de bijlagen (waaronder de Watervergunning). Voor deze dwingende eis kan geen aanvullende vergunning worden gevraagd en de inschrijving van [bedrijfsnaam] is dan ook ongeldig. Subsidiair stelt [eiseres] dat het plan van aanpak van [bedrijfsnaam] niet als ‘uitstekend’ had mogen worden beoordeeld. De oplossing van [bedrijfsnaam] wijkt af van hetgeen is voorschreven in de Watervergunning en introduceert een aantal wezenlijke risico’s voor de Gemeente. Daarmee kan de in het plan van aanpak gegeven informatie niet als uitstekend of inhoudelijk zeer relevant worden bestempeld. Meer subsidiair geldt volgens [eiseres] dat [bedrijfsnaam] enerzijds en [eiseres] en de derde inschrijver anderzijds het bestek op verschillende wijzen hebben geïnterpreteerd. De Gemeente heeft dus een onduidelijkheid gecreëerd die strijd oplevert met het gelijkheids- en het transparantiebeginsel. Dat levert een gebrek op dat moet leiden tot heraanbesteding.
3.3.
De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijfsnaam] ten aanzien van de damwandwerkzaamheden heeft ingeschreven met een oplossing waarbij een funderingsponton wordt toegepast. Dit betekent dat er aan de linkerzijde van het water en aan de rechterzijde van het water een ponton wordt geplaatst, die met elkaar verbonden worden. Op die manier ontstaat een funderingsponton, waarop bouwmaterieel geplaatst kan worden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [bedrijfsnaam] met deze oplossing niet voldoet aan de in lid 4 van artikel 4.3.3 van de Watervergunning gestelde voorwaarde dat drijvende objecten buiten werktijd en in het weekend moeten worden afgekoppeld.
4.2.
De Gemeente heeft ter zitting – naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht – het standpunt verlaten dat de door [bedrijfsnaam] aangeboden oplossing past binnen de voorwaarden van de Watervergunning. Dat is niet het geval, aangezien [bedrijfsnaam] de pontons die zij gebruikt buiten werktijd en in het weekend niet loskoppelt. Ter beoordeling ligt dus alleen nog voor of dit tot ongeldigheid van de inschrijving van [bedrijfsnaam] leidt of dat de Gemeentelijk gelijk heeft met haar standpunt dat mag worden ingeschreven met een oplossing die afwijkt van de voorwaarden van de Watervergunning, waarbij het aan de aannemer is om zorg te dragen dat tijdig een afwijkende vergunning wordt verkregen. Uitgangspunt bij deze beoordeling is dat, gelet op het transparantie- en gelijkheidsbeginsel, de aanbestedingsstukken op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige manier moeten zijn geformuleerd, zodat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en op dezelfde manier kunnen interpreteren.
4.3.
Uit de aanbestedingsstukken volgt dat de minimumeisen die de Gemeente stelt, staan vermeld in het Bestek en de bijlagen daarbij (zie paragraaf 6.5 van het Beschrijvend document). De Watervergunning is een bijlage bij het Bestek, zodat de voorwaarden in de Watervergunning onderdeel zijn van de minimumeisen die de Gemeente stelt. Ook artikel 01.10.01 uit het Bestek is helder: de opdrachtgever is gehouden zich te houden aan hetgeen bepaald is in de door of namens de Gemeente aangevraagde dan wel verkregen vergunningen. Dat omvat dus ook de Watervergunning.
4.4.
De Gemeente brengt hier tegenin dat artikel 01.10.01 uit het Bestek betrekking heeft op vergunningen als bedoeld in paragraaf 5 van de toepasselijke UAV 2012. Dit zijn vergunningen ten behoeve van de opzet van het werk. Het hoort op grond van paragraaf 5 van de UAV 2012 tot de plichten van de opdrachtgever om voor die vergunningen zorg te dragen, hetgeen de Gemeente met het aanvragen van de Watervergunning ook heeft gedaan. Volgens de Gemeente was het op het moment dat zij de Watervergunning aanvroeg echter nog niet duidelijk welke werkzaamheden vanaf het water uitgevoerd zouden worden, omdat dat op grond van het Bestek aan de inschrijvers was om te bepalen. Als een inschrijver zou kiezen voor een uitvoeringswijze die afwijkt van hetgeen is voorzien in de Watervergunning, dan moet de inschrijver zelf een afwijkende vergunning verkrijgen, zoals – volgens de Gemeente – volgt uit artikel 01.10.02 lid 3 van het Bestek. Dit is ook in lijn met paragraaf 6 lid 10 UAV 2012, op grond waarvan de opdrachtnemer zorg moet dragen voor de benodigde vergunningen die betrekking hebben op de wijze waarop het werk zal worden uitgevoerd.
4.5.
In deze uitleg kan de Gemeente niet worden gevolgd. Uit Bestekpost 01.10.01 heeft een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende gegadigde niet anders kunnen afleiden dan dat hij zich aan de voorwaarden in de Watervergunning moet houden. Uit de tekst van Bestekpost 01.10.02 lid 3 kan niet worden afgeleid dat hij ervoor mag kiezen om zich niet te houden aan de Watervergunning en dat hij een wijziging van die vergunning zou kunnen vragen. Dit wordt niet anders door de verwijzing van de Gemeente naar de paragraaf 5 en 6 van de UAV 2012.
4.6.
Volgens de Gemeente had een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver (ook) uit vraag en antwoord 22 in de eerste NvI en vraag en antwoord 2.23 in de tweede NvI begrepen moeten hebben dat het toegestaan is een aanvullende Watervergunning te verkrijgen. Ook deze stelling maakt het vorenstaande niet anders. In het antwoord op die vragen wordt alleen de mogelijkheid van het aanvragen van een aanvullende vergunning genoemd. De voorzieningenrechter is met [eiseres] van oordeel dat de wijziging van de Watervergunning die [bedrijfsnaam] nodig heeft om de werkzaamheden op de door haar aangeboden wijze uit de kunnen voeren niet een aanvulling van de Watervergunning betreft – zoals dus volgens genoemde vragen en antwoorden toegestaan is – maar dat zij een afwijkende Watervergunning nodig heeft. Overigens staat in de bijlage bij de Watervergunning zelf ook dat een wijziging van het besluit kan worden aangevraagd, maar ook dat betekent niet dat een inschrijver niet aan de voorwaarden van de Watervergunning hoeft te voldoen. Daar waar in de Aanbestedingsdocumenten uitdrukkelijk staat dat een inschrijver zich moet houden aan de voorwaarden van vergunningen, kan uit de omstandigheid dat een vergunningverlener (het Hoogheemraadschap) in een bijlage van de vergunning opneemt dat een wijziging van het besluit kan worden verzocht niet worden afgeleid dat een inschrijver geldig kan inschrijven met een Plan van Aanpak waarmee niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergunning.
4.7.
Conclusie
4.8.
Het vorenstaande brengt ook met zich dat het Werk, voor zover de Gemeente nog tot gunning over wil gaan, in een nieuwe gunningsbeslissing aan [eiseres] moet worden gegund. Uit de voorlopige gunningsbeslissing van 28 november 2024 blijkt immers dat [eiseres] als tweede in rangorde is geëindigd, zodat zij nu als winnaar van de aanbesteding kan worden aangemerkt. De stelling van de Gemeente dat ook de inschrijving van [eiseres] ongeldig is, staat hier niet aan in de weg. De voorzieningenrechter zal in het midden laten of het de Gemeente vrijstaat voor het eerst in de conclusie van antwoord in dit kort geding een ongeldigheidsgrond aan te voeren die niet in de Gunningsbeslissing is opgenomen, omdat de Gemeente hoe dan ook niet kan worden gevolgd in haar stelling op dit punt. Volgens de Gemeente is ook de inschrijving van [eiseres] ongeldig, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde in de Watervergunning dat de vergunde werkzaamheden moeten zijn uitgevoerd binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de Watervergunning (dat is uiterlijk op 28 juni 2026). Volgens de Gemeente blijkt uit de inschrijving van [eiseres] dat zij uiterlijk op 17 december 2027 de werkzaamheden uitgevoerd zal hebben. [eiseres] heeft ter zitting, onder verwijzing naar de door haar bij inschrijving ingediende planning, gesteld dat de werkzaamheden aan de damwanden (waar de Watervergunning betrekking op heeft) in 2026 gereed zullen zijn. Uit de door [eiseres] in haar pleitaantekeningen opgenomen uitsnede uit haar planning leidt de voorzieningenrechter af dat de werkzaamheden aan de damwand in december 2026 gereed zullen zijn. Dat is dus – anders dan [eiseres] zelf stelt en door de Gemeente ter zitting ook niet is weersproken – niet tijdig. Dit betreft een overschrijding van een aantal maanden. [eiseres] heeft hierover gesteld dat als de vergunningsduur wordt overschreden, de duur van de vergunning kan worden verlengd en heeft daarbij ook aangevoerd dat een verlenging van de vergunning een duidelijk voorbeeld is van een (op grond van de aanbestedingsstukken wel toelaatbare) aanvullende vergunning en niet van een afwijking op de uitgangspunten van de vergunning. Deze stelling is door de Gemeente niet weersproken, zodat de voorzieningenrechter daarvan uitgaat. Dat de inschrijving van [eiseres] wegens overschrijding van de termijn van de Watervergunning ongeldig is, is dus niet gebleken.
4.9.
Bij toewijzing van de primaire vordering kunnen de subsidiaire en meer subsidiaire vordering onbesproken blijven.
4.10.
De Gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 1.999,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt de Gemeente uitvoering te geven aan de door haar op 28 november 2024 geuite voorlopige gunning;
5.2.
bepaalt dat wanneer de Gemeente nog tot gunning van het Werk wenst over te gaan, door haar een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing moet worden genomen, waarbij het Werk aan geen ander dan [eiseres] mag worden gegund;
5.3.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van [eiseres] van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.4.
veroordeelt de Gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2025.
idt
Er worden meer werkzaamheden aanbesteed, maar die zijn geen onderdeel van geschil in dit kort geding en worden dus onbesproken gelaten.
Hoogheemraadschap van Delfland
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/678021 / KG ZA 25-1
Vonnis in kort geding van 24 februari 2025
in de zaak van
Aannemersbedrijf [eiseres] BV te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
advocaat mr. J. Haest te Den Haag,
tegen:
Gemeente Westland te Naaldwijk, gemeente Westland,
gedaagde,
advocaat mr. E. Bregonje te Terneuzen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Gemeente’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord van de Gemeente, met producties.
1.2.
Op 10 februari 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door [eiseres] pleitnotities overgelegd. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Gemeente heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de opdracht “reconstructie Vredebestlaan te Poeldijk”. Voor zover in dit kort geding relevant, bestaan de werkzaamheden uit het verwijderen van bestaande damwanden en aanbrengen van nieuwe stalen damwanden.
2.2.
Op de aanbesteding zijn de Aanbestedingswet 2012 (Aw), de Uniforme Administratie Voorwaarden 2012 (UAV 2012), de RAW-bepalingen en het Aanbestedingsreglement Werken 2016 (ARW 2016) van toepassing. Het gunningscriterium is beste prijs-kwaliteit verhouding, waarbij prijs voor 40% en kwaliteit voor 60% meetelt. De Gemeente wil met één inschrijver een overeenkomst sluiten.
2.3.
In het Beschrijvend document staat in paragraaf 6.5 vermeld dat de minimumeisen die de Gemeente stelt aan de uitvoering van de opdracht staan vermeld in het Bestek en de bijlagen behorende bij het Bestek. Inschrijvers moeten onvoorwaardelijk instemmen met de minimumeisen, bij gebreke waarvan een inschrijving als ongeldig terzijde wordt gelegd.
2.4.
Voor het subgunningscriterium kwaliteit moeten inschrijvers een plan van aanpak indienen. Hierover staat het volgende in het Beschrijvend document:
De BLVC-aspecten zijn Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie. De plannen van aanpak worden beoordeeld door een beoordelingsteam. Voor zover nu relevant krijgt een inschrijver bij de beoordeling ‘goed’ 80% en bij een beoordeling ‘uitstekend’ 100% van de punten voor het subgunningscriterium kwaliteit.
2.5.
Bijlage 4 bij het Beschrijvend document is het Bestek. Uit artikel 04 van deel 2.1 (Algemene gegevens) van het Bestek blijkt dat vergunningen onderdeel uitmaken van het Bestek. In artikel 08 van deel 2.1 van het Bestek staat het volgende:
Verder staat in deel 3 (Bepalingen) van het Bestek onder meer, en voor zover nu relevant, het volgende:
2.6.
Op 17 mei 2024 is op aanvraag van de Gemeente door het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: het Hoogheemraadschap) een Watervergunning afgegeven (hierna: de Watervergunning) ten behoeve van de uit te voeren werkzaamheden die onderwerp zijn van dit kort geding. In de Watervergunning staat onder meer het volgende:
“3 Overwegingen
(…)
Uitvoering vanaf het water
Een deel van de werkzaamheden wordt op pontons vanaf het water uitgevoerd. Het is momenteel nog niet bekend met welke combinatie pontons op het water wordt gewerkt. In overleg met de aanvrager zijn in deze vergunning voorschriften overgenomen uit de watervergunning van de reeds gerealiseerde oeverbescherming langs de Vredebestlaan.
Uitvoering vanaf het land
Een deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd vanaf het land. Het is echter nog niet bekend met welk materieel de werkzaamheden wordt uitgevoerd. Op verzoek van de aanvrager wordt een aantal voorschriften in deze vergunning opgenomen die betrekking hebben op de inzet van materieel, waarbij speciale aandacht wordt gegeven aan de lokale hoge stempelkrachten.
4Voorschriften
(…)
4.1.2.
Uitvoeringstermijn
De vergunde werkzaamheden moeten zijn uitgevoerd binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning.
(…)
4.3.3
Inzet pontons in primair boezemwater
1. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden mag de doorstroming in het primair boezemwater niet worden belemmerd.
2. Er mogen maximaal drie pontons (of samenstel van pontons) worden toegepast met de maximale afmetingen van 16,8 m lang en 4,2 m breed (één ponton) resp. 12,6 m lang en 4,2 m breed (twee pontons).
3. De diepgang van de pontons mag maximaal 0,55 m zijn.
4. Buiten werktijden en in het weekend moeten de drijvende objecten afgekoppeld worden en de individuele drijvende objecten in de lengterichting langs een oeverlijn worden geplaatst om de doorstroming in het primair boezemwater te waarborgen.
5. Aan de vaarwegzijde van de pontons mogen geen uitstekende delen aanwezig zijn die het onderhoud en/of het recreatief gebruik van het oppervlaktewaterlichaam hinderen.
6. De drijvende objecten op het primair boezemwater worden uitsluitend gebruikt gedurende de bouwfase. Na uitvoeren van de werkzaamheden dienen de drijvende objecten direct uit het primair boezemwater te worden verwijderd.
7. De drijvende objecten moet in drijvende staat worden gehouden en altijd vrij kunnen meebewegen met het heersende waterpeil.
8. Drijf)vuil ter plaatse van en rondom de drijvende objecten (tot 1,0 m afstand) moet worden verwijderd.
9. Op aanwijzing van Delfland moet de vergunninghouder op eigen kosten de drijvende objecten binnen een uur verplaatsen en/of verwijderen in geval van calamiteiten (zoals neerslagtekort of neerslagoverschot > 50 mm/24 uur).”
In de bij de Watervergunning verstrekte toelichting staat nog het volgende:
“
Wijziging van het besluit
De aanvrager en de vergunninghouder kunnen een verzoek indienen om het besluit te wijzigen. Dit verzoek doorloopt meestal dezelfde procedure als het oorspronkelijke besluit. Houdt u dus rekening met deze extra doorlooptijd voordat u begint met de werkzaamheden. Ook voor een wijzigingsbesluit worden leges in rekening gebracht.”
2.7.
In de eerste Nota van Inlichtingen (NvI) staat bij vraag 22 en het antwoord daarop, het volgende:
“In de watervergunning, par 4.3.1 lid 2 staat aangegeven: "Er mogen geen funderingspalen of tijdelijke hulpconstructies in het water worden geplaatst.". Wij nemen aan dat wij deze eis moeten lezen in het kader van par. 4.3.1 lid 1 ("Tijdens de uitvoering van de werken mag de doorstroming van het water niet verder worden verminderd dan vergund."). Kunt u dit bevestigen?
Zie 4.3.3 voor wat vergunningstechnisch is toegestaan. Indien de aannemer een andere interpretatie heeft, is het aan hem om dit af te stemmen met HHvD
tijdens de uitvoering van het werk en eventueel aanvullende vergunningen t.b.v. uitvoering aan te vragen. De opdrachtgever is hier verder niet voor verantwoordelijk.”
2.8.
In de tweede NvI staat bij vraag 2.23 en het antwoord daarop het volgende:
“In de Watervergunning voor de vervanging van de damwanden is in par. 4.3.3 lid 2 aangegeven dat er maximaal 3 pontons of samenstel van pontons wordt toegepast. Vervolgens wordt er een maat van 16,8 meter lang en 4,2 meter breed gegeven en bij 2 pontons resp. 12,5 meter lang en 4,2 meter breed. Betekent dit in totaal 25 meter lengte? Hoe zit het bij 3 pontons?
Nee. De maximale afmeting is 16,8 meter lang en 4,2 meter breed. Indien de aannemer een andere interpretatie heeft, is het aan hem om dit af te stemmen met HHvD tijdens de uitvoering van het werk en eventueel aanvullende vergunningen t.b.v. uitvoering aan te vragen.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven:
primair: de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan de door haar geuite voorlopige gunning en de Gemeente te gebieden, voor zover zij het werk nog wil gunnen, het werk aan geen ander te gunnen dan aan [eiseres] ;
subsidiair: de Gemeente te gebieden, voor zover zij het werk nog wil gunnen, over te gaan tot herbeoordeling van de plannen van aanpak door een nieuwe onafhankelijke beoordelingscommissie met inachtneming van de gestelde eisen en voorwaarden;
meer subsidiair: de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan de door haar geuite voorlopige gunningsbeslissing en de Gemeente te gebieden over te gaan tot heraanbesteding;
alles met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [bedrijfsnaam] voert de damwandwerkzaamheden uit vanaf het water en zij doet dat op zo’n manier dat zij niet kan voldoen aan lid 4 van artikel 4.3.3 van de Watervergunning. Hierdoor heeft [bedrijfsnaam] een ongeldige inschrijving gedaan, omdat zij niet voldoet aan de minimumeisen die zijn opgenomen in het Bestek en de bijlagen (waaronder de Watervergunning). Voor deze dwingende eis kan geen aanvullende vergunning worden gevraagd en de inschrijving van [bedrijfsnaam] is dan ook ongeldig. Subsidiair stelt [eiseres] dat het plan van aanpak van [bedrijfsnaam] niet als ‘uitstekend’ had mogen worden beoordeeld. De oplossing van [bedrijfsnaam] wijkt af van hetgeen is voorschreven in de Watervergunning en introduceert een aantal wezenlijke risico’s voor de Gemeente. Daarmee kan de in het plan van aanpak gegeven informatie niet als uitstekend of inhoudelijk zeer relevant worden bestempeld. Meer subsidiair geldt volgens [eiseres] dat [bedrijfsnaam] enerzijds en [eiseres] en de derde inschrijver anderzijds het bestek op verschillende wijzen hebben geïnterpreteerd. De Gemeente heeft dus een onduidelijkheid gecreëerd die strijd oplevert met het gelijkheids- en het transparantiebeginsel. Dat levert een gebrek op dat moet leiden tot heraanbesteding.
3.3.
De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijfsnaam] ten aanzien van de damwandwerkzaamheden heeft ingeschreven met een oplossing waarbij een funderingsponton wordt toegepast. Dit betekent dat er aan de linkerzijde van het water en aan de rechterzijde van het water een ponton wordt geplaatst, die met elkaar verbonden worden. Op die manier ontstaat een funderingsponton, waarop bouwmaterieel geplaatst kan worden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [bedrijfsnaam] met deze oplossing niet voldoet aan de in lid 4 van artikel 4.3.3 van de Watervergunning gestelde voorwaarde dat drijvende objecten buiten werktijd en in het weekend moeten worden afgekoppeld.
4.2.
De Gemeente heeft ter zitting – naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht – het standpunt verlaten dat de door [bedrijfsnaam] aangeboden oplossing past binnen de voorwaarden van de Watervergunning. Dat is niet het geval, aangezien [bedrijfsnaam] de pontons die zij gebruikt buiten werktijd en in het weekend niet loskoppelt. Ter beoordeling ligt dus alleen nog voor of dit tot ongeldigheid van de inschrijving van [bedrijfsnaam] leidt of dat de Gemeentelijk gelijk heeft met haar standpunt dat mag worden ingeschreven met een oplossing die afwijkt van de voorwaarden van de Watervergunning, waarbij het aan de aannemer is om zorg te dragen dat tijdig een afwijkende vergunning wordt verkregen. Uitgangspunt bij deze beoordeling is dat, gelet op het transparantie- en gelijkheidsbeginsel, de aanbestedingsstukken op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige manier moeten zijn geformuleerd, zodat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en op dezelfde manier kunnen interpreteren.
4.3.
Uit de aanbestedingsstukken volgt dat de minimumeisen die de Gemeente stelt, staan vermeld in het Bestek en de bijlagen daarbij (zie paragraaf 6.5 van het Beschrijvend document). De Watervergunning is een bijlage bij het Bestek, zodat de voorwaarden in de Watervergunning onderdeel zijn van de minimumeisen die de Gemeente stelt. Ook artikel 01.10.01 uit het Bestek is helder: de opdrachtgever is gehouden zich te houden aan hetgeen bepaald is in de door of namens de Gemeente aangevraagde dan wel verkregen vergunningen. Dat omvat dus ook de Watervergunning.
4.4.
De Gemeente brengt hier tegenin dat artikel 01.10.01 uit het Bestek betrekking heeft op vergunningen als bedoeld in paragraaf 5 van de toepasselijke UAV 2012. Dit zijn vergunningen ten behoeve van de opzet van het werk. Het hoort op grond van paragraaf 5 van de UAV 2012 tot de plichten van de opdrachtgever om voor die vergunningen zorg te dragen, hetgeen de Gemeente met het aanvragen van de Watervergunning ook heeft gedaan. Volgens de Gemeente was het op het moment dat zij de Watervergunning aanvroeg echter nog niet duidelijk welke werkzaamheden vanaf het water uitgevoerd zouden worden, omdat dat op grond van het Bestek aan de inschrijvers was om te bepalen. Als een inschrijver zou kiezen voor een uitvoeringswijze die afwijkt van hetgeen is voorzien in de Watervergunning, dan moet de inschrijver zelf een afwijkende vergunning verkrijgen, zoals – volgens de Gemeente – volgt uit artikel 01.10.02 lid 3 van het Bestek. Dit is ook in lijn met paragraaf 6 lid 10 UAV 2012, op grond waarvan de opdrachtnemer zorg moet dragen voor de benodigde vergunningen die betrekking hebben op de wijze waarop het werk zal worden uitgevoerd.
4.5.
In deze uitleg kan de Gemeente niet worden gevolgd. Uit Bestekpost 01.10.01 heeft een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende gegadigde niet anders kunnen afleiden dan dat hij zich aan de voorwaarden in de Watervergunning moet houden. Uit de tekst van Bestekpost 01.10.02 lid 3 kan niet worden afgeleid dat hij ervoor mag kiezen om zich niet te houden aan de Watervergunning en dat hij een wijziging van die vergunning zou kunnen vragen. Dit wordt niet anders door de verwijzing van de Gemeente naar de paragraaf 5 en 6 van de UAV 2012.
4.6.
Volgens de Gemeente had een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver (ook) uit vraag en antwoord 22 in de eerste NvI en vraag en antwoord 2.23 in de tweede NvI begrepen moeten hebben dat het toegestaan is een aanvullende Watervergunning te verkrijgen. Ook deze stelling maakt het vorenstaande niet anders. In het antwoord op die vragen wordt alleen de mogelijkheid van het aanvragen van een aanvullende vergunning genoemd. De voorzieningenrechter is met [eiseres] van oordeel dat de wijziging van de Watervergunning die [bedrijfsnaam] nodig heeft om de werkzaamheden op de door haar aangeboden wijze uit de kunnen voeren niet een aanvulling van de Watervergunning betreft – zoals dus volgens genoemde vragen en antwoorden toegestaan is – maar dat zij een afwijkende Watervergunning nodig heeft. Overigens staat in de bijlage bij de Watervergunning zelf ook dat een wijziging van het besluit kan worden aangevraagd, maar ook dat betekent niet dat een inschrijver niet aan de voorwaarden van de Watervergunning hoeft te voldoen. Daar waar in de Aanbestedingsdocumenten uitdrukkelijk staat dat een inschrijver zich moet houden aan de voorwaarden van vergunningen, kan uit de omstandigheid dat een vergunningverlener (het Hoogheemraadschap) in een bijlage van de vergunning opneemt dat een wijziging van het besluit kan worden verzocht niet worden afgeleid dat een inschrijver geldig kan inschrijven met een Plan van Aanpak waarmee niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergunning.
4.7.
Conclusie
4.8.
Het vorenstaande brengt ook met zich dat het Werk, voor zover de Gemeente nog tot gunning over wil gaan, in een nieuwe gunningsbeslissing aan [eiseres] moet worden gegund. Uit de voorlopige gunningsbeslissing van 28 november 2024 blijkt immers dat [eiseres] als tweede in rangorde is geëindigd, zodat zij nu als winnaar van de aanbesteding kan worden aangemerkt. De stelling van de Gemeente dat ook de inschrijving van [eiseres] ongeldig is, staat hier niet aan in de weg. De voorzieningenrechter zal in het midden laten of het de Gemeente vrijstaat voor het eerst in de conclusie van antwoord in dit kort geding een ongeldigheidsgrond aan te voeren die niet in de Gunningsbeslissing is opgenomen, omdat de Gemeente hoe dan ook niet kan worden gevolgd in haar stelling op dit punt. Volgens de Gemeente is ook de inschrijving van [eiseres] ongeldig, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde in de Watervergunning dat de vergunde werkzaamheden moeten zijn uitgevoerd binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de Watervergunning (dat is uiterlijk op 28 juni 2026). Volgens de Gemeente blijkt uit de inschrijving van [eiseres] dat zij uiterlijk op 17 december 2027 de werkzaamheden uitgevoerd zal hebben. [eiseres] heeft ter zitting, onder verwijzing naar de door haar bij inschrijving ingediende planning, gesteld dat de werkzaamheden aan de damwanden (waar de Watervergunning betrekking op heeft) in 2026 gereed zullen zijn. Uit de door [eiseres] in haar pleitaantekeningen opgenomen uitsnede uit haar planning leidt de voorzieningenrechter af dat de werkzaamheden aan de damwand in december 2026 gereed zullen zijn. Dat is dus – anders dan [eiseres] zelf stelt en door de Gemeente ter zitting ook niet is weersproken – niet tijdig. Dit betreft een overschrijding van een aantal maanden. [eiseres] heeft hierover gesteld dat als de vergunningsduur wordt overschreden, de duur van de vergunning kan worden verlengd en heeft daarbij ook aangevoerd dat een verlenging van de vergunning een duidelijk voorbeeld is van een (op grond van de aanbestedingsstukken wel toelaatbare) aanvullende vergunning en niet van een afwijking op de uitgangspunten van de vergunning. Deze stelling is door de Gemeente niet weersproken, zodat de voorzieningenrechter daarvan uitgaat. Dat de inschrijving van [eiseres] wegens overschrijding van de termijn van de Watervergunning ongeldig is, is dus niet gebleken.
4.9.
Bij toewijzing van de primaire vordering kunnen de subsidiaire en meer subsidiaire vordering onbesproken blijven.
4.10.
De Gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 1.999,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt de Gemeente uitvoering te geven aan de door haar op 28 november 2024 geuite voorlopige gunning;
5.2.
bepaalt dat wanneer de Gemeente nog tot gunning van het Werk wenst over te gaan, door haar een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing moet worden genomen, waarbij het Werk aan geen ander dan [eiseres] mag worden gegund;
5.3.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van [eiseres] van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.4.
veroordeelt de Gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2025.
idt
Er worden meer werkzaamheden aanbesteed, maar die zijn geen onderdeel van geschil in dit kort geding en worden dus onbesproken gelaten.
Hoogheemraadschap van Delfland