Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:9526
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,577 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.20495
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Alkir)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 2 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 1 februari 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Spanje verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag. Uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiser op 27 januari 2025 in Spanje een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Om die reden heeft verweerder de Spaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Spaanse autoriteiten hebben dit verzoek op 25 februari 2025 aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Er zijn concrete aanwijzingen dat Spanje haar internationale verplichtingen niet nakomt. In dit verband verwijst eiser naar het AIDA-rapport over Spanje van mei 2024 (2023 Update), waaruit volgt dat er in Spanje structurele en systematische tekortkomingen zijn met betrekking tot de opvang voor asielzoekers. De opvanglocaties zijn overbevolkt, waardoor veel asielzoekers op straat terechtkomen. Overdracht zonder opvang is in strijd met artikel 3 van het EVRM. Nu de kans groot is dat eiser geen opvang zal krijgen in Spanje en daarom op straat zal moeten (over)leven, bestaan er ernstige, op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser een risico zal lopen op schending van artikel 4 van het Handvest bij de overdracht of als gevolg daarvan. Verweerder dient gelet hierop aanvullende garanties te vragen aan de Spaanse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 8 juli 2021 en 24 juni 2024 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
5. Eiser is hierin niet geslaagd. De Afdeling is in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 juni 2024 ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en heeft geoordeeld dat het AIDA-rapport over Spanje van mei 2024 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de informatie waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. De rechtbank ziet geen reden om van dit oordeel af te wijken. Bovendien garanderen de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord dat zij eisers asielverzoek in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Als eiser toch moeilijkheden ervaart wat betreft de opvang, ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de Spaanse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Spaanse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Uit het arrest Tarakhel volgt dat een verplichting tot het vragen van aanvullende garanties pas aan de orde is als aan twee voorwaarden wordt voldaan. Ten eerste moet sprake zijn van bijzondere kwetsbaarheid en ten tweede moet aannemelijk zijn dat er zonder garanties geen sprake zal zijn van toereikende zorg- en opvangvoorzieningen. Gesteld noch gebleken is dat eiser bijzonder kwetsbaar is. Ook heeft eiser, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Spanje geen opvang zal krijgen. Verweerder heeft dus geen aanleiding hoeven zien om aanvullende garanties te vragen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) 604/2013.
Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2021:1481.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2024:2548.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.