Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:9509
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,008 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22143
uitspraak van de enkelvoudige kamer 28 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 10 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 14 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser op die dag aan de Oostenrijkse autoriteiten is overgedragen. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij het beroep handhaaft.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 21 mei 2025.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 29 april 2025) tot 14 mei 2025 rechtmatig was.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat er niet voortvarend is gehandeld. Op 30 april 2025 is er een claimakkoord verzonden vanuit Oostenrijk. Dit stuk is niet aan het dossier toegevoegd. Daarnaast heeft de overdracht na dit claimakkoord nog twee weken geduurd. Eiser had eerder overgedragen kunnen worden.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier volgt dat Oostenrijk op 30 april 2025 akkoord is gegaan met de Dublinclaim. Uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister op 2 mei 2025 een vlucht heeft aangevraagd, waarbij staat vermeld dat dit de eerst mogelijke vlucht was gelet op de door Oostenrijk gehanteerde aankondigingstermijn. De minister heeft daarmee voldoende voortvarend gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?4. Eiser heeft zijn overige gronden, die erop zien dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen, de minister ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd en er geen zicht op uitzetting is binnen afzienbare tijd, niet onderbouwd. De rechtbank toetst het voortduren van de maatregel tot 14 mei 2025 ook ambtshalve, maar ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren vanwege onrechtmatigheid van de bewaring.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb Den Haag(zp Arnhem) 30 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7323.
Dossierstuk 12, 13 en 14.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22143
uitspraak van de enkelvoudige kamer 28 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 10 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 14 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser op die dag aan de Oostenrijkse autoriteiten is overgedragen. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij het beroep handhaaft.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 21 mei 2025.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 29 april 2025) tot 14 mei 2025 rechtmatig was.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat er niet voortvarend is gehandeld. Op 30 april 2025 is er een claimakkoord verzonden vanuit Oostenrijk. Dit stuk is niet aan het dossier toegevoegd. Daarnaast heeft de overdracht na dit claimakkoord nog twee weken geduurd. Eiser had eerder overgedragen kunnen worden.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier volgt dat Oostenrijk op 30 april 2025 akkoord is gegaan met de Dublinclaim. Uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister op 2 mei 2025 een vlucht heeft aangevraagd, waarbij staat vermeld dat dit de eerst mogelijke vlucht was gelet op de door Oostenrijk gehanteerde aankondigingstermijn. De minister heeft daarmee voldoende voortvarend gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?4. Eiser heeft zijn overige gronden, die erop zien dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen, de minister ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd en er geen zicht op uitzetting is binnen afzienbare tijd, niet onderbouwd. De rechtbank toetst het voortduren van de maatregel tot 14 mei 2025 ook ambtshalve, maar ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren vanwege onrechtmatigheid van de bewaring.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb Den Haag(zp Arnhem) 30 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7323.
Dossierstuk 12, 13 en 14.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.