Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:9466
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,471 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40509
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het beroep door eiser te laat is ingediend en hij hiervoor geen goede redenen heeft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 5 oktober 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 april 2024 deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser niet de informatie heeft verstrekt die belangrijk is voor de beoordeling van zijn aanvraag. Daarnaast is eiser verdwenen zonder dat hij daarvoor een reden heeft opgegeven. Aan eiser is ook een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrekplicht opgelegd.
2.1.
Eiser heeft op 17 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025, samen met het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
2.3.
Na afloop van de zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiser de uitnodiging voor de zitting niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek daarom op 12 mei 2025 heropend en (de gemachtigde van) eiser in de gelegenheid gesteld om aan te geven of hij een nadere zitting wenst in deze zaak.
2.4.
Nadat beide partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven om de zaak zonder een nadere zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek op 23 mei 2025 gesloten.
Beoordeling
Is het beroep ontvankelijk?
3. De rechtbank moet ambtshalve toetsen of het beroep tijdig is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift in onderhavige zaak is één week. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt deze termijn aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit nooit aan hem is uitgereikt en daardoor niet rechtsgeldig bekend is gemaakt. Het bestreden besluit is hem voor het eerst bekend geworden op 8 oktober 2024 toen hij in bewaring is gesteld.
5. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift te laat is ingediend. Uit de faxbevestiging blijkt dat het bestreden besluit op 29 april 2024 is toegezonden aan de toenmalige gemachtigde van eiser. Daarmee is het bestreden besluit op juiste wijze bekendgemaakt. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat het bestreden besluit op 8 oktober 2024 aan eiser bekend is geworden, is het beroepschrift te laat ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit deze verschoonbaarheid zou volgen. Omdat het beroep na het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend en de rechtbank deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar acht, is het beroep in beginsel niet-ontvankelijk.
6. De rechtbank moet verder ambtshalve vaststellen of er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022 en de daarin aangehaalde jurisprudentie. Bahaddar-omstandigheden doen zich voor indien wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat uitzetting van die vreemdeling schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in het geval van eiser niet van gebleken.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonmiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaak NL24.40511.
Arrest Bahaddar tegen Nederland, van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
ECLI:NL:RVS:2022:1664.