Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:9438
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,762 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21366
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Is er sprake van een gebrek in het voortraject?
1. Eiser voert aan dat het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105a) pas een week na de maatregel van bewaring is opgemaakt en ondertekend. Eiser betoogt dat dit in strijd is met de regels.
1.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister op de zitting terecht stelt dat er geen wettelijk voorschrift bestaat waarin is bepaald wanneer de M105a opgemaakt en ondertekend moet worden of dat deze voorafgaand aan de maatregel moet worden opgemaakt en ondertekend. De minister stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat de inhoud van de M105a niet door eiser wordt betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de op ambtseed opgemaakte M105a. Er is dan ook geen sprake van een gebrek in het voortraject. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag wegens risico op onttrekking aan het toezicht. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de lichte grond 4b op de zitting laten vallen.
2.2.
Eiser betwist alle zware gronden. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware grond 3a feitelijk juist is. Zoals de minister terecht heeft gesteld, is niet gebleken dat eiser Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser beschikt niet over een document om Nederland in te reizen. Hieraan wordt terecht het vermoeden verbonden dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd. Dat eiser met een geldig visum Frankrijk zou zijn ingereisd doet niets af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ook de zware grond 3b is feitelijk juist. De minister heeft terecht tegengeworpen dat eiser zijn onrechtmatige verblijf niet bij de korpschef heeft gemeld en dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Daarmee heeft eiser laten zien dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Dat eiser zich tot de Duitse autoriteiten heeft gewend en zegt zich niet bewust te hebben onttrokken doet aan deze feitelijke constatering niet af.
2.3.
De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking. Uit de gronden volgt dat er risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hij voert aan dat het in zijn belang is om te wachten op de beslissing van zijn herhaalde asielaanvraag en betoogt dat hij juist geen belang heeft bij het onttrekken aan het toezicht. Eiser wil graag zijn asielaanvraag in een asielzoekerscentrum afwachten, bijvoorbeeld met een meldplicht.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast wijst de minister terecht op het feit dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en al eerder een asielaanvraag heeft ingediend. De enkele wens van eiser om in een asielzoekerscentrum te verblijven maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.