Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:9432
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,801 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/676225 / HA RK 24-630
Beschikking van 13 maart 2025
in de zaak van
[verzoeker]
, te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. G.F. Hovestad te Arnhem,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTER VAN DEFENSIE, te Den Haag,
verweerder,
advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk “ [verzoeker] ” en “de Staat” genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met twee producties, ingekomen op 22 november 2024;
het verweerschrift met vijf producties, ingekomen op 23 januari 2025.
1.2.
Op 30 januari 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:
[verzoeker] met mr. Hovestad;
mevrouw [naam 1] , juridisch bestuurlijk adviseur bij het Ministerie van Defensie (hierna: Defensie) met mr. Bitter.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Bitter een aanvullende productie overgelegd ter vervanging van productie 4 bij het verweerschrift, aangezien bij het verweerschrift niet de productie was overgelegd waar naar werd verwezen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. Ter zitting is de uitspraak bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[verzoeker] is in 1989 aangesteld als beroepsmilitair in tijdelijke dienst bij Defensie.
2.2.
Tussen partijen is een arbeidsconflict ontstaan. Op 17 maart 2006 is de Staat namens [verzoeker] aansprakelijk gesteld voor materiële en immateriële schade vanwege het onrechtmatig handelen van De Staat. De Staat heeft de aansprakelijkheid afgewezen.
2.3.
Op verzoek van partijen heeft de heer dr. [naam 2] RA (hierna: [naam 2] ) als forensisch accountant een deskundigenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is gestart op 6 november 2013. Het rapport is uitgebracht op 23 mei 2014. In het rapport is Defensie geadviseerd om [verzoeker] :
professionele begeleiding aan te bieden bij het zoeken naar een andere werkkring of het opzetten van een eigen onderneming in de vorm van een concrete afspraak qua doorlooptijd en kosten;
(nogmaals) een vergoeding voor immateriële schade aan te bieden van € 75.000,- netto all-in;
zijn kosten van rechtsbijstand te vergoeden op basis van de tot op dat moment werkelijk gemaakte kosten.
De Staat heeft [verzoeker] naar aanleiding van het rapport een voorstel gedaan. Dit voorstel is niet aanvaard door [verzoeker] en komen te vervallen.
2.4.
[verzoeker] heeft naar aanleiding van het rapport een klacht ingediend bij de Accountantskamer over de handelswijze van [naam 2] . De Accountantskamer heeft bij beslissing van 28 augustus 2015 de klacht van [verzoeker] betreffende het door [naam 2] vooraf uitsluiten van tuchtrechtelijke aansprakelijkheid gegrond verklaard. Verder is ook de klacht over het inschakelen van externe deskundigen door [naam 2] gegrond verklaard, omdat [naam 2] , op grond van het door hem opgestelde reglement, partijen hiervan op de hoogte had moeten brengen en hen in de gelegenheid had moeten stellen te reageren. Andere klachten van [verzoeker] zijn ongegrond verklaard. Aan [naam 2] is een waarschuwing opgelegd. Door beide partijen is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Ook in hoger beroep zijn de overige klachten van [verzoeker] ongegrond bevonden.
2.5.
Tussen partijen is een kort geding aanhangig geweest met kenmerk C/09/507785/ KG ZA 16/379. In deze procedure vorderde [verzoeker] kort gezegd veroordeling van de Staat om het besluit van de Minister van Defensie uit 2012 na te komen, een maandelijkse bijdrage in de kosten van levensonderhoud en betaling van een voorschot van € 75.000,- op de door [verzoeker] geleden schade. In het vonnis van 5 juli 2016 is het gevorderde afgewezen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van het geding.
2.6.
Tussen partijen is ook een bodemprocedure aanhangig geweest. [verzoeker] vorderde in die procedure dat de Staat zou worden veroordeeld tot nakoming van de opdracht van de Minister van Defensie, het gelasten van een nieuw onderzoek conform die opdracht en vergoeding van de schade die [verzoeker] heeft geleden doordat de Staat de opdracht niet is nagekomen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [verzoeker] veroordeeld in de kosten van het geding.
2.7.
[verzoeker] is tegen het in 2.6. genoemde vonnis van de rechtbank Den Haag in appèl gegaan. Het gerechtshof Den Haag heeft in het arrest van 22 juni 2021 het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Het verzoekschrift strekt tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor onder bepaling van een datum.
3.2.
[verzoeker] legt aan het verzoek ten grondslag dat het Ministerie van Defensie onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij daardoor schade heeft geleden en blijft lijden, welke schade door de Staat vergoed moet worden. In dat kader wenst [verzoeker] zeven getuigen te horen.
3.3.
De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure.
3.4.
Hierna wordt, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingegaan.
Beoordeling
De conclusie
4.1.
Het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen en [verzoeker] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.
Het beoordelingskader
4.2.
Omdat het verzoek is ingediend op 22 november 2024 zal het verzoek worden beoordeeld aan de hand van de destijds geldende wetgeving, te weten artikel 186 Rv (oud). De op 1 januari 2025 in werking getreden wetgeving omtrent het nieuwe bewijsrecht is in deze procedure dan ook niet van toepassing.
4.3.
Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel de verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Daarnaast biedt het de verzoeker de mogelijkheid zijn proceskansen beter te kunnen inschatten.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden toegewezen in de gevallen waarin volgens de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Uitgangspunt daarbij is dat de feiten die met het verhoor bewezen kunnen worden tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. De feiten en omstandigheden waarover getuigen moeten worden gehoord, moeten, op grond van vaste jurisprudentie, zodanig worden omschreven dat voor de rechter die op het verzoek beslist, de rechter voor wie de verhoren zullen worden gehouden en de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Verder zal op grond van vaste jurisprudentie een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alleen worden afgewezen als: (1) de rechtbank van oordeel is dat van de bevoegdheid tot het gebruiken van dit middel misbruik wordt gemaakt, (2) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, of (3) het verzoek moet afstuiten op een ander zwaarwichtig bezwaar. Ook geldt bij een verzoek als dit de regel uit artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek dat (4) zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle vereisten voldoet, wordt het verzoek toegewezen.
Is het feitelijk gebeuren waarop het verhoor betrekking zal hebben voldoende duidelijk?
4.5.
De Staat stelt dat het feitencomplex waarover het in het voorlopig getuigenverhoor zou moeten gaan niet duidelijk is, net zo min als duidelijk is welke schade verzoeker lijdt en hoe die schade toe te rekenen is aan onrechtmatig handelen van de Staat. Hoewel [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling veel naar voren heeft gebracht, is volgens de Staat nog altijd niet duidelijk waarover het getuigenverhoor zou moeten gaan en wat de genoemde getuigen daarover kunnen verklaren. De Staat heeft om die reden tijdens de mondelinge behandeling zijn bij verweer geformuleerde conclusie, afwijzing van het verzoek, gehandhaafd.
4.6.
De rechtbank volgt de Staat hierin en is van oordeel dat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. Uit het verzoekschrift is niet duidelijk geworden over welk feitelijk gebeuren [verzoeker] getuigen wenst te horen. Daarmee blijft ook in nevelen gehuld wie (welke getuige) over welke gebeurtenissen mogelijk iets zou kunnen verklaren. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door de advocaat van [verzoeker] veel feiten naar voren gebracht, waarmee kennelijk is beoogd het uiterst summiere verzoekschrift aan te vullen en duidelijk te maken op welke gebeurtennissen het verhoor betrekking zal hebben. Nog los van het vereiste dat in het verzoekschrift die duidelijkheid verstrekt behoort te worden is dat feitelijk gebeuren ook in de uitvoerige mondelinge toelichting ter zitting (waarbij geen pleitaantekeningen zijn gehanteerd) naar het oordeel van de rechtbank niet uit de verf gekomen. Aangezien het voor de rechtbank en, zoals uit het verweer blijkt, ook voor de Staat niet duidelijk is geworden waarover getuigen gehoord moeten worden, zal het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
4.7.
De Staat heeft verzocht om een proceskostenveroordeling. Aangezien [verzoeker] in het ongelijk is gesteld, zal hij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van de Staat begroot op € 2.120,-. Dit bedrag is opgebouwd uit € 714,- aan griffierecht, € 1.228,- aan salaris gemachtigde (€ 614,- x 2 punten) en € 178,- aan nakosten.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van De Staat begroot op € 2.120,-.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.
Accountantskamer 28 augustus 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:101
Rechtbank Den Haag 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12233
Gerechtshof Den Haag 22 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1066
type: 3384