Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:9351
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
857 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19398
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Visscher).
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij de uitspraak van 11 april 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door verzoeker daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 maart 2025 vernietigd en de minister opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 25 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL25.19397, op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.19397, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat er al een proceskostenvergoeding voor de zitting (1 punt) in het kader van het beroep is toegekend, krijgt verzoeker hiervoor niet nogmaals apart een vergoeding.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 mei 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.