Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:9309
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,772 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24386
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hooff).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister van 19 maart 2024 om de verblijfsvergunning van eiseres in te trekken omdat zij niet meer voldoet aan de voorwaarde. Eiseres is het niet eens het besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verblijfsvergunning van eiseres heeft mogen intrekken. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Indiase nationaliteit. Op 2 april 2022 heeft zij een aanvraag gedaan om een machtiging voor voorlopig verblijf met als verblijfsdoel verblijf bij partner [naam] (ex-echtgenoot). Dit verzoek is bij besluit van 18 oktober 2022 ingewilligd. Eiseres is bij haar partner gaan wonen.
2. Op 27 september 2023 heeft de ex-echtgenoot een schriftelijke melding gedaan waarin hij heeft aangegeven dat dat de relatie is verbroken en dat hij op 21 augustus 2023 echtscheiding heeft aangevraagd. De echtscheidingsprocedure loopt nog. De definitieve echtscheiding zal op [datum echtscheiding] 2023 worden uitgesproken.
3. De minister heeft op 23 januari 2024 een voornemen voor de intrekking van de verblijfsvergunning opgesteld omdat eiseres niet meer voldoet aan de beperking van het verblijf bij partner. Eiseres heeft een zienswijze ingediend. Bij besluit van 19 maart 2024 is de verblijfsvergunning per [datum echtscheiding] 2023 ingetrokken.
4. Bij beslissing op bezwaar van 3 juni 2024 (bestreden besluit) is de minister bij de intrekking gebleven.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep1, op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres is niet verschenen.
Beoordeling
Wettelijk kader
7. Uit artikel 19, in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat de minister een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan intrekken indien niet (meer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend.
Beëindiging van de relatie
8.1.
Eiseres heeft in de gronden van beroep aangevoerd dat de relatie niet is beëindigd. Zij en haar partner wonen nog steeds samen en er is geen sprake van een scheiding. Het is ook niet te begrijpen dat de partner op 23 september 2023 schrijft dat de relatie op [datum echtscheiding] 2023 wordt beëindigd. Ter zitting is namens eiseres aangevoerd dat de echtscheiding in augustus dan wel november 2024 is uitgesproken en dat partijen niet meer bij elkaar wonen. De gemachtigde heeft tevens ter zitting gezegd dat de ingangsdatum van de intrekking van de verblijfsvergunning voor eiseres van belang is.
8.2.
Niet meer in geschil is dat de echtscheiding uitgesproken is en de relatie tussen partijen geëindigd is. In geschil is van welke ingangsdatum van de intrekking van de verblijfsvergunning uitgegaan dient te worden. De minister heeft zich gebaseerd op de schriftelijke melding van de ex-echtgenoot dat de relatie tussen hem en eiseres per [datum echtscheiding] 2023 verbroken is door de uitspraak over de echtscheiding. De enkele stelling van de gemachtigde van eiseres ter zitting dat de echtscheiding pas in 2024 uitgesproken is en dat de relatie tussen partijen daarna geëindigd is, is onvoldoende aangezien deze niet onderbouwd is. De beroepsgrond slaagt niet.
De hoorplicht
9.1.
Eiseres stelt dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden. Eiseres had tijdens een hoorzitting de gezinssituatie kunnen uitleggen. Een hoorzitting is van belang omdat het hier om een beëindiging van een verblijfsrecht gaat.
9.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen mag afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en op de omstandigheid dat eiseres in bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank mogen afzien van het horen van eiseres.
1. Zaak 24.24388.
Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur
10. De stelling van eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder beginselen van zorgvuldigheid en redelijkheid en het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel behoeft geen bespreking, aangezien eiseres deze niet heeft gemotiveerd noch onderbouwd.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 mei 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.