Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:9302
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,638 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20342
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Visscher).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Rwandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Standaard voornemen
5. Eiser voert aan dat de minister gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. De door eiser naar voren gebrachte bezwaren zijn ten onrechte niet gemotiveerd betrokken in het voornemen. De minister heeft op geen enkele wijze gemotiveerd waarom een standaard voornemen in deze zaak zou moeten voldoen. Door dit na te laten is de besluitvorming onzorgvuldig tot stand gekomen. Volgens eiser dient het bestreden besluit daarom vernietigd te worden.
6. De rechtbank oordeelt dat dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de minister in het voornemen niet expliciet is ingegaan op de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Het voornemen is echter een voorbereidingshandeling en dient als aankondiging van wat de minister van plan is te gaan beslissen, namelijk het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag en de voorgenomen overdracht aan Frankrijk. Vervolgens is eiser in de gelegenheid gesteld om in zijn zienswijze hierop te reageren. In het besluit is de minister ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag heeft geleid. Verder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Eiser vreest bij overdracht aan Frankrijk voor een situatie zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM, artikel 4 van het Handvest, artikel 3 en 16 van het CAT. Eiser is bekend met de door de minister aangehaalde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waaruit blijkt dat er kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, maar is van mening dat dit in zijn geval niet opgaat. De asielprocedure en opvang in Frankrijk voldoen niet aan de gestelde eisen. Het tekort aan opvangplekken in Frankrijk zorgt ervoor dat de kans meer voorzienbaar is dat eiser geen opvang zal krijgen. Daarbij zal de asielvraag van eiser als een herhaalde asielvraag worden beschouwd. Ook dit zorgt ervoor dat eiser geen opvang zal krijgen. Dit heeft eiser persoonlijk ervaren bij een eerdere overdracht van Nederland aan Frankrijk. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport, update 2023, en het rapport “Information on procedural elements and rights of applicants subject to a Dublin transfer to France”.
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid - voor Dublinclaimanten - ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling in de uitspraak van 9 oktober 20232 bevestigd. De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de uitspraak van 30 augustus 20243. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
2 ECLI:NL:RVS:2023:3737.
3 ECLI:NL:RVS:2024:3552.
9. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde rechtspraak dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk zich niet houdt aan haar internationale verplichtingen. De Afdeling heeft geoordeeld dat het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2023, geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers schetst dan al eerder naar voren is gekomen in de vorige rapportages van AIDA over Frankrijk. Het is niet gebleken dat de opvangproblemen in Frankrijk, ondanks dat er moeilijkheden bestaan, dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM, artikel 4 van het Handvest, artikel 3 en 16 van het CAT strijdige behandeling. Indien eiser in Frankrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Voor zover eiser vanwege een herhaalde asielaanvraag geen opvang zou krijgen, is dit niet in strijd met artikel 20 van de Opvangrichtlijn. Gelet op artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn worden dergelijke beslissing tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dvo
10. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Eiser voert hiertoe aan dat, gelet op wat eiser in het vorenstaande heeft aangevoerd, de minister de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo.
11. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen in ieder geval als er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
12.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 mei 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.