Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:9178
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,610 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. L. Hartog).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, gelet op zijn eigen ervaringen in Bulgarije. Eiser heeft in Bulgarije in detentie gezeten. Bovendien vreest hij dat hij na overdracht op straat terecht zal komen of in een opvang met erg slechte omstandigheden.
6. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Bulgarije bevestigd in onder meer de uitspraken van 16 augustus 2023,2 29 februari 20243 en 27 juni 2024.4 Dat betekent dat de minister, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat de Bulgaarse autoriteiten het Unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake in het geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
7. De rechtbank oordeelt dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft zijn stellingen ook niet onderbouwd met recente landeninformatie of andere documenten. Eiser heeft verklaard dat hij in Bulgarije in detentie heeft gezeten. Dit is gebeurd nadat eiser illegaal de Bulgaarse grens heeft overgestoken. Niet is gebleken dat deze detentie onrechtmatig was of in strijd met de Europese richtlijnen. Bovendien is niet gebleken dat eiser als Dublinclaimant bij of na zijn overdracht aan Bulgarije in een vergelijkbare situatie terecht zal komen als vreemdelingen die illegaal de buitengrens van Bulgarije oversteken. Eiser wordt via een claimakkoord overgedragen, zodat het voor de autoriteiten in Bulgarije duidelijk is dat eiser een Dublinclaimant is. Bulgarije garandeert met het claimakkoord dat het eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling neemt met inachtneming van de Europese richtlijnen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Bulgaarse autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat dit voor hem onmogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 6, 10 en 16 van de Dublinverordening
8. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6, 10 en 16 van de Dublinverordening. Eiser stelt dat hij in Nederland een minderjarig broertje heeft. Hij is samen met zijn broertje naar Nederland gereisd. Zijn broertje zit in Nederland nog in de procedure en er is nog geen beslissing genomen op zijn asielaanvraag. Volgens eiser had hij als gezinslid van zijn broertje aangemerkt moeten worden, gelet op artikel 10 van de Dublinverordening. Verder is het in het belang van zijn minderjarige broertje om samen met eiser te blijven en hebben zij een emotionele band met elkaar.
2 ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134.
3 ECLI:NL:RVS:2024:870.
4 ECLI:NL:RVS:2024:2647.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft de familieband met zijn gestelde minderjarige broer niet aannemelijk. Hij heeft dit niet onderbouwd middels documenten of ander verifieerbaar bewijs. Eiser heeft in het aanmeldgehoor van 4 december 2024 verklaard dat hij documenten heeft bij zijn oom. Niet is gebleken dat hij deze documenten heeft opgevraagd. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat de documenten al zijn overgelegd aan de minister in de asielprocedure van zijn oudere broer die al een tijd in Nederland woont. De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om deze documenten (nogmaals) over te leggen en dat het niet aan de minister is om in de systemen te zoeken of er in de procedure van iemand anders documenten zijn overgelegd die ook betrekking hebben op eiser. Eiser heeft niet gesteld dat hij niet in staat zou zijn om de betreffende documenten (opnieuw) over te leggen en hij heeft ook niet uitgelegd waarom hij geen documenten heeft overgelegd terwijl die er volgens eiser wel zouden zijn. De minister hoefde daarom in deze procedure geen rekening te houden met de waarborgen van artikel 6 van de Dublinverordening.
10. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de minister aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Los van het feit dat eiser de familieband met zijn gestelde minderjarige broer niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft hij evenmin aangetoond dat zijn gestelde broertje afhankelijk is van eiser of dat eiser afhankelijk is van zijn gestelde broertje. Bovendien heeft de minister in het bestreden besluit en tijdens de zitting terecht opgemerkt dat zijn gestelde broertje geen wettig verblijf in Nederland heeft, zodat ook om die reden het beroep op artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening niet kan slagen.
11. De rechtbank oordeelt verder dat eisers beroep op artikel 10 van de Dublinverordening niet slaagt. Dit artikel staat in hoofdstuk 3 van de Dublinverordening. Een vreemdeling kan op de criteria in dit hoofdstuk alleen een beroep doen in een overnamesituatie.5 Het claimverzoek door Bulgarije is geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Daaruit volgt dat eiser eerder in Bulgarije een asielaanvraag heeft ingediend en er sprake is van een terugnamesituatie. Dat betekent dat eiser geen beroep kan doen op hoofdstuk 3 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
12. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser en zijn minderjarige broer zullen worden gescheiden van elkaar.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser niet op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling hoefde te nemen. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd, waaruit de familieband met zijn gestelde minderjarige broer blijkt. De beroepsgrond slaagt niet.
5 HvJ 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280 en Afdeling 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 april 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.