Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:9176
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,277 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.11477 en NL25.11479
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
De minister heeft op 24 september 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 10 maart 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel en tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Agourram. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Beoordeling
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 februari 2025 (in de zaak NL25.6982) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting en voortvarendheid
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Volgens eiser is er enkel een toezegging van de Algerijnse autoriteiten dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven, maar blijkt nergens uit dat er daadwerkelijk een lp zal worden afgegeven.
5. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije is en dat de minister voldoende voortvarend handelt. Uit de aanbiedingsbrief van de minister van 21 maart 2025 volgt dat op 26 februari 2025 bericht is ontvangen van de diplomatieke vertegenwoordiger van Algerije, waarin de autoriteiten aangeven bereid te zijn een lp af te geven na ontvangst van de vluchtgegevens. Een dag later, namelijk op 27 februari 2025 is de vluchtaanvraag verzonden en op 28 februari 2025 zijn de vluchtgegevens ontvangen. De vlucht vindt plaats op 26 maart 2025. Ter zitting heeft de minister bevestigd dat de lp is ontvangen op 21 maart 2025 om 12:45 uur. De stelling van eiser dat onduidelijk is of een lp zal worden afgegeven volgt de rechtbank daarom niet. Verder zijn op 4 en 11 maart 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Motivering
6. Eiser stelt dat er niet is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring. Daartoe voert eiser aan dat hij heeft meegewerkt door te verschijnen op de presentatie bij de Algerijnse autoriteiten en door een kopie van zijn paspoort te overleggen.
7. Volgens artikel 59, zesde lid, van de Vw mag de maatregel van bewaring met nog eens twaalf maanden worden verlengd, onder meer als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring. Eiser heeft namelijk geen enkel origineel document kunnen overleggen ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Ook heeft eiser geen medewerking verleend op grond waarvan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit kon worden bespoedigd. Eiser is dan wel verschenen op de presentatie bij de Algerijnse autoriteiten, maar daarover merkt de minister terecht op in het bestreden besluit dat eiser bij de presentatie heeft aangegeven dat hij niet wenst terug te keren.
De bewaringsgronden
8. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 24 september 2024 in bewaring is gesteld, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel
5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. Eiser voert aan dat de gronden uit de maatregel van bewaring van 24 september 2024 enkel worden herhaald en dat de minister de motivering daarvan heeft overgenomen, zonder deze te actualiseren.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom de zware en lichte gronden nog steeds van toepassing zijn. Deze zware en lichte gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
11. De gronden van het verlengingsbesluit zijn onverkort van kracht. Uit deze gronden vloeit voort dat er nog steeds een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Dat maakt dat er geen garantie is dat eiser zich aan zijn vertrekplicht naar Algerije zal houden, indien hij op vrije voeten wordt gesteld. De rechtbank acht bij de belangenafweging ook van belang dat de verlenging van korte duur is, omdat de uitzetting gepland staat op 26 maart 2025. Op basis hiervan heeft de minister de belangenafweging terecht in het nadeel van eiser laten uitvallen en heeft de minister niet hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 maart 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.