Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:9072
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,633 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22033
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Indiase nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1988.
Voortraject
2. Eiser stelt dat de staandehouding en daardoor ook de ophouding onrechtmatig is, nu onvoldoende blijkt wat de aanleiding is geweest voor de politie om eiser staande te houden en mee te nemen.
3. Uit het proces-verbaal van ophouding blijkt dat eiser is overgenomen en opgehouden aansluitend op strafrechtelijke detentie. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de politie op 8 mei 2025 op een melding is afgegaan. Bij de controle van de identiteit is toen gebleken dat eiser nog twee dagen hechtenis moest ondergaan en dat hij om die reden door de politie is meegenomen. Gelet hierop is sprake van een strafrechtelijke aanleiding, die niet ter toetsing voorligt aan de bestuursrechter. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de daaropvolgende ophouding onrechtmatig te achten.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en staan als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser voert aan dat de zware gronden niet aan hem hadden mogen worden tegengeworpen. Eiser heeft namelijk vanaf het moment dat zijn verblijfsvergunning is ingetrokken verschillende procedures doorlopen en rechtmatig in Nederland verbleven. Verder zal hij op korte termijn een aanvraag indienen voor verblijf bij zijn minderjarige kinderen in Nederland. Verweerder had geen reden om aan te nemen dat eiser zich zou onttrekken aan het toezicht.
6. Gebleken is dat de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER bij besluit van 17 februari 2025 is afgewezen en hierbij is ook verwezen naar een terugkeerbesluit dat op 16 maart 2021 is opgelegd. Tegen het besluit van 17 februari 2025 heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld. Eiser had daarom uiterlijk op 17 maart 2025 uit Nederland moeten vertrekken, maar hij heeft dit niet gedaan. Gelet hierop is zware grond 3c feitelijk juist. De lichte gronden zijn niet betwist en de rechtbank is van oordeel dat deze in de maatregel voldoende zijn toegelicht. De gronden kunnen de maatregel van bewaring
dragen, zodat een risico op onttrekking is gegeven.
Lichter middel
7. Eiser stelt voorts dat een lichter middel had moeten worden opgelegd. Hij is pas sinds 17 februari 2025 niet meer rechtmatig in Nederland en hij wil graag bij zijn kinderen in Nederland verblijven. Voor een vaste omgang en contactherstel is het van belang dat hij in Nederland is.
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het risico op het onttrekken aan toezicht dat daaruit voortvloeit, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij pas vanaf 17 februari 2025 niet meer rechtmatig in Nederland verblijft. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat eiser van 14 oktober 2020 tot 2 april 2021 en van 4 april 2023 tot 15 maart 2024 geen rechtmatig verblijf had. Verder is niet gebleken dat eiser al daadwerkelijk een aanvraag heeft ingediend voor verblijf bij zijn kind in Nederland. Daarbij komt dat hij zelf heeft verklaard dat hij al meer dan twee jaar geen contact meer heeft met zijn kinderen of ex-echtgenote.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 mei 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.