Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:9067
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,293 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16324
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C.C. Tibor. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Hongaarse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Zorgvuldigheid onderzoek naar daadwerkelijk en effectieve beëindiging verblijf
2. Eiser voert aan dat er onzorgvuldig onderzoek is gedaan of eiser rechtmatig verblijf heeft. Eisers verblijfsrecht is ingetrokken op 21 maart 2024 en op 20 augustus 2024 is eiser uitgezet naar Hongarije. Uit het proces-verbaal van gehoor bij bewaring van 7 april 2025 (M110) blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij werk heeft gezocht in Hongarije. De minister had daarin aanleiding moeten zien om hierover meer vragen te stellen dan wel nader onderzoek te doen of eiser zijn verblijf hier niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd met zijn verblijf in Hongarije.
3. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan en dat het gehoor niet onzorgvuldig is geweest. Uit de stukken volgt dat eiser na zijn uitzetting op 20 augustus 2024 op 20 november 2024 weer in Nederland is aangetroffen, zodat eisers verblijf in Hongarije in ieder geval minder dan drie maanden is geweest. Blijkens de M110 heeft eiser voldoende gelegenheid gekregen om te verklaren over zijn verblijf in Hongarije. Zo is bijvoorbeeld gevraagd wanneer hij is teruggekomen naar Nederland, of hij binnen drie maanden nadat hij is uitgezet naar Hongarije is teruggekomen naar Nederland en of hij in Hongarije werk en huisvesting heeft gezocht. Eiser heeft verklaard dat hij in Hongarije werk heeft gezocht, maar dat dit niet is gelukt. Ook weet eiser niet wanneer hij naar Nederland is teruggekomen. Ter zitting heeft eiser ook niet, dan wel onvoldoende, inzichtelijk gemaakt hoe lang hij in Hongarije heeft verbleven, wat hij daar precies heeft gedaan, wanneer hij naar Nederland is teruggekomen en dat hij zijn banden met Nederland heeft verbroken.
Evenmin is gebleken van een materiële wijziging van zijn omstandigheden. De minister heeft daarom mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtsmiddelenclausule
4. Eiser voert aan dat de rechtsmiddelenclausule die is vermeld in het bestreden besluit incorrect is, althans dat deze niet van toepassing is op het bestreden besluit. De minister erkent dat de verkeerde rechtsmiddelenclausule is vermeld op het bestreden besluit.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de rechtsmiddelenclausule die is vermeld in het bestreden besluit incorrect is. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit het bestreden besluit op zich niet onrechtmatig. Eiser heeft binnen één dag en op correcte wijze beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Door de onjuiste rechtsmiddelenclausule is hij dan ook niet in zijn belangen geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 april 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.