Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:9042
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,831 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16700
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C. Huy),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Kan de minister voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister voor Zwitserland niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij vreest dat hij bij overdracht naar Zwitserland zal worden uitgezet naar Azerbeidzjan waar hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Dit komt omdat het beleid ten aanzien van lhbti’ers uit Azerbeidszjan verschilt van het Nederlandse beleid. Nederland heeft in zijn beleid namelijk expliciet onderkend dat lbhti’ers uit Azerbeidzjan niet de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties kunnen inroepen, terwijl Zwitserland het tegenovergestelde standpunt inneemt. Bovendien is eisers asielverzoek in Zwitserland al afgewezen en blijkt uit het AIDA-rapport uit 2024 dat opvolgende aanvragen in Zwitserland zeer restrictief worden behandeld. De tegenwerping van de minister dat eiser geen beroep kan doen op een verschil in beschermingsbeleid tussen lidstaten gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 houdt geen stand, omdat deze benadering tekortschiet in het licht van artikel 3 van het EVRM.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel voor Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Dit beginsel is weerlegbaar. Het is aan de vreemdeling om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat eiser hier niet in is geslaagd en dat de minister daarom voor Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit op 25 januari 2025 nog bevestigd. In eisers enkele verwijzing naar de passage in het AIDA-rapport van 2024 over de restrictievere behandeling van opvolgende aanvragen, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Deze passage leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat in Zwitserland sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in de opvang- en asielprocedure dat de hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het Jawo-arrest is bereikt. De Zwitserse autoriteiten hebben het terugnameverzoek bovendien geaccepteerd en daarmee gegarandeerd eisers (opvolgende) asielaanvraag in behandeling te nemen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
5.3.
Tot slot overweegt de rechtbank dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat een rechter bij een overdrachtsbesluit niet mag toetsen of indirect refoulement aannemelijk is als deze rechter vaststelt dat voor de aangezochte lidstaat uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Nu de rechtbank van oordeel is dat voor Zwitserland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ligt de vraag of eiser bij overdracht aan Zwitserland het risico loopt op indirect refoulement dan ook niet ter beoordeling voor.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
AIDA Country Report: Switzerland, Update 2023 (July 2024).
ECLI:EU:C:2023:934, punten 140-142.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.
ECLI:NL:RVS:2025:265.
ECLI:EU:C:2023:934 en ECLI:NL:RVS:2024:2359.