Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:8999
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,579 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.635
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit om de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Is het besluit zorgvuldig voorbereid?
5. Eiser voert aan dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid, omdat in het voornemen nauwelijks is ingegaan op de individuele aspecten die eiser in het aanmeldgehoor naar voren heeft gebracht.
6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende gemotiveerd. In het voornemen heeft de minister voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Daarin staat ook dat de minister geen reden ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Uit pagina 3 van het voornemen blijkt dat de verklaringen van eiser ook bij de beoordeling zijn betrokken. Dat een en ander in het voornemen wat meer algemeen en standaardmatig en niet heel expliciet is opgeschreven, laat onverlet dat het voornemen onder opgave van de redenen die voor de minister van belang zijn geweest, is genomen. De minister mag vervolgens in het uiteindelijke besluit – wat hij in het bestreden besluit ook heeft gedaan – een en ander meer concretiseren en expliciteren. De rechtbank wijst in dit verband op de richtinggevende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2023, r.o. 2.1,2 waarnaar de Afdeling recent heeft verwezen in de uitspraak van 5 augustus 2024.3 De beroepsgrond slaagt niet.
Kan ten aanzien van België nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?
7. Eiser voert aan dat de minister niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België, gelet op de opvangsituatie van asielzoekers. Eiser is een niet-kwetsbare alleenstaande man die geen toegang krijgt tot de opvang. Ondanks dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 maart 20244 heeft geoordeeld dat de enkele schending van de opvangverplichting onvoldoende is voor het oordeel dat voor België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, is eiser van mening dat er wel sprake is van een fundamentele systeemfout die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Uit overweging 92 van het Jawo-arrest volgt dat vreemdelingen in de meest elementaire behoeften moeten worden voorzien, waaronder woonruimte. De term woonruimte lijkt te duiden op een zekere mate van bestendig onderkomen waar de asielzoeker ook overdag kan verblijven. Eiser is van mening dat opvang in een noodopvang niet kan worden beschouwd als een voldoende duurzame oplossing, omdat veel vreemdelingen alleen terecht kunnen in de nachtopvang. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 5 december 20245 en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 12 december 2024.6 Verder wijst eiser op de vragen die de Afdeling op 30 oktober 2024 heeft gesteld aan de minister.
8. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de minister, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat de Belgische autoriteiten het Unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.7 Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan België, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Belgische autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake in het geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.8
2ECLI:NL:RVS:2023:4348.
3 ECLI:NL:RVS:2024:3158.
4 ECLI:NL:RVS:2024:896.
5 ECLI:NL:RBDHA:2024:20746.
6 ECLI:NL:RBDHA:2023:19965.
9. De rechtbank oordeelt dat eiser hierin niet is geslaagd. In de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. De Afdeling erkent dat sprake is van een tekortkoming in de Belgische opvangsituatie, maar is van oordeel dat de schending van de opvangverplichtingen onvoldoende is voor het oordeel dat voor België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij is van belang dat de asielzoekers die niet direct een reguliere opvangplaats krijgen toegewezen, wel gebruik kunnen maken van nood- en daklozenopvang en van medische juridische voorzieningen terwijl zij op de wachtlijst staan. Verder blijkt uit de berichtgeving dat de Belgische autoriteiten zich inzetten om nieuwe reguliere opvangplaatsen te creëren. Bovendien is er geen sprake van een totale opvangstop.
10. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet met objectieve bronnen aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen van de opvangvoorzieningen in België. Eiser heeft geen overtuigende nieuwe informatie overgelegd die maakt dat de feitelijke uitgangspunten die ten grondslag zijn gelegd aan de uitspraak van de Afdeling inmiddels zijn gewijzigd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dat de Afdeling in voornoemde uitspraak over de opvangvoorzieningen in België. Dat eiser van mening is dat een noodopvang niet beschouwd kan worden als een voldoende duurzame oplossing, doet niet af aan het oordeel van de Afdeling, waarin het feit dat gebruik gemaakt wordt van noodopvang is betrokken. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, de uitspraak van de deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam en de vragen die door de Afdeling op 30 oktober 2024 zijn gesteld aan de minister, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling. Indien eiser na de overdracht problemen ervaart of vindt dat België zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in België te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe aangewezen instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?
11. Eiser voert verder aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening, gelet op de hiervoor genoemde situatie in België.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij geen aanleiding ziet om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling is gesteld en dat eiser mag worden overgedragen aan België. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
9ECLI:NL:RVS:2024:1860.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 januari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.