Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:8971
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,484 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2301
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. R. Hopman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 november 2024 niet in behandeling genomen omdat volgens de minister België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. G. Ocak als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiseres voert aan dat ten aanzien van België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, gelet op het tekort aan opvangplaatsen in België. Eiseres verwijst daartoe naar het AIDA-rapport, update 2023, pagina 103, het rapport ‘niet opvangbeleid’ van Dashboard van 5 juni 2024, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 19 juli 20242 en een MK-uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 5 december 2024.3 Eiser vreest dat zij geen opvang zal krijgen in België, mede omdat haar asielaanvraag in België al eerder is afgewezen.
6. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de minister, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat de Belgische autoriteiten het Unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.4 Het is daarom in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan België, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Belgische autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake in het geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.5
7. De rechtbank oordeelt dat eiseres hierin niet is geslaagd. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 maart 20246 heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. De Afdeling erkent dat sprake is van tekortkomingen in de Belgische opvangsituatie, maar is van oordeel dat de schending van de opvangverplichtingen onvoldoende is voor het oordeel dat voor België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in deze uitspraak ook gewezen op een brief van 9 maart 2023 van de Belgische autoriteiten, waaruit volgt dat wegens het gebrek aan reguliere opvangplaatsen bij de toewijzing voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. Eiseres zal als vrouw daarom prioriteit krijgen en opvang genieten. De uitspraken en stukken waarnaar eiseres heeft verwezen zien op alleenstaande meerderjarige mannen. Ze zijn weliswaar van latere datum, maar niet gewijzigd is het beeld dat (alleenreizende) vrouwen voorrang hebben bij het verkrijgen van opvang. Eiseres heeft met deze verwijzingen dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij als vrouw in België geen opvang zal krijgen. De minister mocht daarom uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 ECLI:NL:RBDHA:2024:11372.
3 ECLI:NL:RBDHA:2024:20746.
4 Arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punt 81.
5 Arrest Jawo, punten 91-92.
6 ECLI:NL:RVS:2024:896.
Bijeenhouden gezin
8. Eiseres meent dat de Dublinverordening erop is gericht familie- en gezinsleden zoveel mogelijk bij elkaar te houden. Zij benadrukt dat het van groot belang is dat de familiebanden in stand worden gehouden. Eiseres mag niet van haar zoon en kleinkind gescheiden worden. Daarbij heeft eiseres tevens een beroep gedaan op artikel 6 van de Dublinverordening, omdat het in het belang van het kleinkind van eiseres om in de buurt van zijn oma op te groeien.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van gezinsleden in de zin van de Dublinverordening, omdat verschillende landen verantwoordelijk zijn gehouden voor de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming.
10. De rechtbank volgt het standpunt van de minister. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat zij als gezinsleden naar Nederland zijn gekomen. Eiseres heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat zij zich op verschillende momenten hebben gemeld in Nederland. Eiseres is ook vaker van haar kinderen gescheiden, doordat zij meermaals afzonderlijk van elkaar in verschillende lidstaten asielaanvragen hebben ingediend. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij twee jaar geleden voor de duur van twee jaar is teruggekeerd naar Moldavië, en dat zij naar Europa is gekomen omdat haar zoon en schoondochter in Europa waren. Reeds daarom heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gezinsleden als bedoeld in de Dublinverordening. Het doel van de Dublinverordening om familie- en gezinsleden zoveel mogelijk bij elkaar te houden is in eiseres haar situatie niet van toepassing. De beroepsgrond slaagt niet.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep op artikel 6 van de Dublinverordening ook niet slaagt. Niet is gebleken dat het in het belang van het kind is dat hij bij zijn oma verblijft, terwijl de ouders een ander traject doorlopen. Het belang van het kind is over het algemeen het meest gediend als hij of zij de ouders verblijft. Niet gebleken is dat dat in dit geval anders is. De minister heeft dit in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd.
Artikel 17 van de Dublinverordening
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat overdracht aan België in haar geval onevenredig hard is, omdat dit tot gevolg zal hebben dat zij van haar kinderen en kleinkind gescheiden zal worden. Volgens eiseres had de minister haar asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiseres niet op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling hoefde te nemen. De wens van eiseres om als familie bij elkaar te verblijven is geen bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht aan België onevenredig hard is. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij daarin geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft en dat eiseres mag worden overgedragen aan België. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 februari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.