Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:8926
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,036 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39879
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Eiser heeft op 12 oktober 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 19 maart 2022.
Met het besluit van 27 januari 2025 heeft de minister alsnog op de aanvraag beslist. De asielaanvraag is ingewilligd.
Eiser heeft vervolgens de rechtbank bericht dat hij bereid is om het beroep in te trekken op het moment dat de minister heeft bevestigd dat hij de proceskosten zal vergoeden. De rechtbank heeft daarop geen reactie vernomen van de minister. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beroep niet is ingetrokken.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Overwegingen
1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van de aanvraag op 27 januari 2025 aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiser, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Eiser heeft op 19 maart 2022 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag in de beschikking van 18 november 2022 niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Het beroep tegen die beschikking is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, met de uitspraak van 5 januari 2023 ongegrond verklaard (zaaknummer NL22.23645). De Afdeling heeft vervolgens op 7 juli 2023 het hoger beroep gegrond verklaard. De uitspraak van 5 januari 2023 en de beschikking van 18 november 2022 zijn daarbij vernietigd. Dat betekent dat verweerder de aanvraag alsnog in behandeling moest nemen. Verweerder had uiterlijk op 7 januari 2024 een besluit moeten nemen.
3. Op 12 oktober 2024 heeft eiser zijn beroep ingesteld. De termijn om te beslissen op de aanvraag was op dat moment verstreken. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is dus terecht ingesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,= en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2025 door mr. S.E. van Merbel, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:2621.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39879
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Eiser heeft op 12 oktober 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 19 maart 2022.
Met het besluit van 27 januari 2025 heeft de minister alsnog op de aanvraag beslist. De asielaanvraag is ingewilligd.
Eiser heeft vervolgens de rechtbank bericht dat hij bereid is om het beroep in te trekken op het moment dat de minister heeft bevestigd dat hij de proceskosten zal vergoeden. De rechtbank heeft daarop geen reactie vernomen van de minister. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beroep niet is ingetrokken.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Overwegingen
1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van de aanvraag op 27 januari 2025 aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiser, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Eiser heeft op 19 maart 2022 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag in de beschikking van 18 november 2022 niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Het beroep tegen die beschikking is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, met de uitspraak van 5 januari 2023 ongegrond verklaard (zaaknummer NL22.23645). De Afdeling heeft vervolgens op 7 juli 2023 het hoger beroep gegrond verklaard. De uitspraak van 5 januari 2023 en de beschikking van 18 november 2022 zijn daarbij vernietigd. Dat betekent dat verweerder de aanvraag alsnog in behandeling moest nemen. Verweerder had uiterlijk op 7 januari 2024 een besluit moeten nemen.
3. Op 12 oktober 2024 heeft eiser zijn beroep ingesteld. De termijn om te beslissen op de aanvraag was op dat moment verstreken. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is dus terecht ingesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,= en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2025 door mr. S.E. van Merbel, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:2621.