Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:8815
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,986 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20573
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiseres heeft ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiseres heeft op 7 mei 2025 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 13 mei 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 14 mei 2025.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Poolse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en de vreemdeling daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres heeft de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3b en 3c en de lichte gronden 4a, 4c en 4d feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
4. Eiseres voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiseres heeft kenbaar gemaakt dat zij Nederland op eigen gelegenheid kan verlaten en hiertoe heeft zij ook voldoende financiële middelen. Tijdens het gehoor is hier onvoldoende over doorgevraagd, waardoor een lichter middel niet serieus is overwogen. Daarnaast is zij bereid om mee te werken aan eventuele voorwaarden zoals een meldplicht. De bewaring is voor eiseres onverwacht en bijzonder ingrijpend. Eiseres wijst verder op haar coöperatieve houding.
5. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het risico op het onttrekken aan toezicht dat daaruit voortvloeit, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Verweerder heeft in het kader van het lichter middel ook voldoende vragen gesteld aan eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Bij de beoordeling heeft verweerder terecht betrokken dat eiseres meerdere kansen heeft gehad om Nederland vrijwillig te verlaten. Dit heeft niet geleid tot het daadwerkelijke vertrek. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat met een lichter middel
had moeten worden volstaan. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiseres onredelijk bezwarend maken.
Voortvarend handelen
6. Eiseres voert verder aan dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt welke uitzettingshandelingen zijn verricht. Eiseres verzoekt verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen.
7. Uit de brief van verweerder van 13 mei 2025 blijkt dat verweerder op 9 mei 2025 een vertrekgesprek met eiseres heeft gevoerd, een vluchtaanvraag heeft gedaan en een vluchtakkoord heeft ontvangen. Op 16 mei 2025 zal eiseres per vliegtuig worden uitgezet naar Polen. Hiermee handelt verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20573
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiseres heeft ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiseres heeft op 7 mei 2025 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 13 mei 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 14 mei 2025.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Poolse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en de vreemdeling daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres heeft de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3b en 3c en de lichte gronden 4a, 4c en 4d feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
4. Eiseres voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiseres heeft kenbaar gemaakt dat zij Nederland op eigen gelegenheid kan verlaten en hiertoe heeft zij ook voldoende financiële middelen. Tijdens het gehoor is hier onvoldoende over doorgevraagd, waardoor een lichter middel niet serieus is overwogen. Daarnaast is zij bereid om mee te werken aan eventuele voorwaarden zoals een meldplicht. De bewaring is voor eiseres onverwacht en bijzonder ingrijpend. Eiseres wijst verder op haar coöperatieve houding.
5. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het risico op het onttrekken aan toezicht dat daaruit voortvloeit, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Verweerder heeft in het kader van het lichter middel ook voldoende vragen gesteld aan eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Bij de beoordeling heeft verweerder terecht betrokken dat eiseres meerdere kansen heeft gehad om Nederland vrijwillig te verlaten. Dit heeft niet geleid tot het daadwerkelijke vertrek. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat met een lichter middel
had moeten worden volstaan. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiseres onredelijk bezwarend maken.
Voortvarend handelen
6. Eiseres voert verder aan dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt welke uitzettingshandelingen zijn verricht. Eiseres verzoekt verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen.
7. Uit de brief van verweerder van 13 mei 2025 blijkt dat verweerder op 9 mei 2025 een vertrekgesprek met eiseres heeft gevoerd, een vluchtaanvraag heeft gedaan en een vluchtakkoord heeft ontvangen. Op 16 mei 2025 zal eiseres per vliegtuig worden uitgezet naar Polen. Hiermee handelt verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.