Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:878
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,132 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2796
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 14 januari 2025 om 12:57 uur opgehouden. Op 14 januari 2025 omstreeks 17:30 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat hij is heengezonden na oplegging van een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding dat tevens moet worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 24 januari 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 24 januari 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 27 januari 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1969 en de Kazachse nationaliteit te hebben.
2. Eiser stelt dat het dossier onzorgvuldig is omdat in het proces-verbaal staandehouding, overbrenging en overdracht van 14 januari 2025 is opgenomen dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. In het proces-verbaal ophouding en onderzoek van 15 dan wel 16 januari 2025 wordt echter artikel 50, derde lid, van de Vw genoemd als grondslag. Hij meent dat het eerste proces-verbaal leidend is, maar dat verweerder hierin de verkeerde grondslag noemt. Na het tonen van de kopie van zijn paspoort en de controle door de AVIM stond zijn identiteit en vreemdelingrechtelijke status onmiddellijk vast en had verweerder moeten kiezen voor artikel 50, derde lid, van de Vw. Eiser stelt dat de daarop volgende belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen, omdat hij in ieder geval enige tijd op onjuiste grondslag van zijn vrijheid is beroofd op het bureau van de AVIM in Amsterdam. Hij meent daarom recht te hebben op een dag schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal staandehouding, overbrenging en overdracht blijkt dat eiser tijdens de staandehouding geen identificerende documenten kon tonen. Hij beschikte enkel over een kopie van zijn paspoort. Bij controle van de door eiser opgegeven persoonsgegevens bleek deze persoon geen rechtmatig verblijf te hebben in Nederland. Op dat moment kon de identiteit van eiser dus niet onmiddellijk worden vastgesteld, waarna hij terecht werd overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.
4. Op het moment dat eiser arriveerde op een plaats bestemd voor verhoor, het politiebureau, bleek dat er in 2017 een origineel paspoort van eiser was overgelegd. Gelet daarop kon eisers identiteit wel worden vastgesteld en werd eiser terecht opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
5. De rechtbank is daarom van oordeel dat het feit dat twee grondslagen voor de ophouding worden genoemd in het dossier niet maakt dat sprake is van onzorgvuldigheid. De genoemde processen-verbaal en de toelichting van verweerder maken voldoende inzichtelijk waarom in het dossier over beide grondslagen voor ophouding wordt gesproken.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2796
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 14 januari 2025 om 12:57 uur opgehouden. Op 14 januari 2025 omstreeks 17:30 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat hij is heengezonden na oplegging van een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding dat tevens moet worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 24 januari 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 24 januari 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 27 januari 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1969 en de Kazachse nationaliteit te hebben.
2. Eiser stelt dat het dossier onzorgvuldig is omdat in het proces-verbaal staandehouding, overbrenging en overdracht van 14 januari 2025 is opgenomen dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. In het proces-verbaal ophouding en onderzoek van 15 dan wel 16 januari 2025 wordt echter artikel 50, derde lid, van de Vw genoemd als grondslag. Hij meent dat het eerste proces-verbaal leidend is, maar dat verweerder hierin de verkeerde grondslag noemt. Na het tonen van de kopie van zijn paspoort en de controle door de AVIM stond zijn identiteit en vreemdelingrechtelijke status onmiddellijk vast en had verweerder moeten kiezen voor artikel 50, derde lid, van de Vw. Eiser stelt dat de daarop volgende belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen, omdat hij in ieder geval enige tijd op onjuiste grondslag van zijn vrijheid is beroofd op het bureau van de AVIM in Amsterdam. Hij meent daarom recht te hebben op een dag schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal staandehouding, overbrenging en overdracht blijkt dat eiser tijdens de staandehouding geen identificerende documenten kon tonen. Hij beschikte enkel over een kopie van zijn paspoort. Bij controle van de door eiser opgegeven persoonsgegevens bleek deze persoon geen rechtmatig verblijf te hebben in Nederland. Op dat moment kon de identiteit van eiser dus niet onmiddellijk worden vastgesteld, waarna hij terecht werd overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.
4. Op het moment dat eiser arriveerde op een plaats bestemd voor verhoor, het politiebureau, bleek dat er in 2017 een origineel paspoort van eiser was overgelegd. Gelet daarop kon eisers identiteit wel worden vastgesteld en werd eiser terecht opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
5. De rechtbank is daarom van oordeel dat het feit dat twee grondslagen voor de ophouding worden genoemd in het dossier niet maakt dat sprake is van onzorgvuldigheid. De genoemde processen-verbaal en de toelichting van verweerder maken voldoende inzichtelijk waarom in het dossier over beide grondslagen voor ophouding wordt gesproken.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.