Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:8763
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
6,004 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.47559 (beroep)
NL24.47560 (voorlopige voorzieningen)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A. Heida), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 12 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend.
1.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2025 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. de Vogel als tolk in de Franse taal en de gemachtigde van de minister.
Asielrelaas
2. Aan zijn asielrelaas legt eiser ten grondslag dat hij Mauritaniër is. Hij heeft verklaard dat hij behoord tot de bevolkingsgroep Soninke en dat de bevolkingsgroep Ghasanye racistisch is tegen zwarte Mauritaniërs. Bij terugkeer vreest hij te lijden omdat hij geen werk meer zal krijgen van de Ghasanye, omdat zij de contracten enkel aan Marokkanen geven.
De bestreden beslissing
3. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De andere motieven die eiser heeft aangedragen zijn volgens de minister enkel sociaaleconomisch en kunnen niet leiden tot een asielvergunning.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid1, omdat hij een nader gehoor heeft gehad zonder dat zijn aanmeldgehoor is besproken met zijn gemachtigde of dat hij is voorbereid op dat nader gehoor. Dat eiser heeft verklaard aan de gehoormedewerker in zijn nader gehoor dat hij wel met zijn advocaat had gesproken doet hier niet aan af, omdat het hier ging over de advocaat in de bewaringsprocedure. De minister had dit moeten weten nu er geen correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor zijn ingediend. Ter zitting heeft eiser verder verduidelijkt dat uit de administratie van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) ook niet blijkt dat hij op het spreekuur is geweest, om zich met een advocaat voor te bereiden op het nader gehoor. Eiser heeft het kader waarin de vragen aan hem werden gesteld niet begrepen. Hij spreekt slecht Frans en het nader gehoor heeft in het Frans plaatsgevonden. Als hij zich had kunnen voorbereiden op het gehoor, had hij beter kunnen vertellen over de discriminatie en de uitbuiting die hij ervaart in Mauritanië. Hij heeft dat nu niet kunnen doen en daarom is hij in zijn belangen geschaad. Het besluit is onzorgvuldig en kan niet in stand blijven.2
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser heeft verklaard in het nader gehoor dat hij een advocaat heeft gesproken voorafgaand aan dat gehoor. Ten tijde van het gehoor van eiser, waren er problemen bij de RvR met het toewijzen van een advocaat. Er waren toen spreekuuradvocaten ter beschikking. Eiser stond ook op die lijst voor de spreekuren. Mocht eiser geen advocaat hebben gesproken voorafgaand aan het nader gehoor, dan is hij niet in zijn belangen geschaad. Hij heeft de mogelijkheid gehad om na zijn gehoor zijn advocaat te spreken en hij heeft met die advocaat ook correcties en aanvullingen op het gehoor ingediend. Hij heeft daarnaast ook een zienswijze ingediend. Met een voorbereiding op het nader gehoor zou er geen andere uitkomst in de procedure zijn geweest. Er is voldoende doorgevraagd tijdens het gehoor en eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn relaas te onderbouwen.
1. Op grond van artikel 3:109 lid 4 of 7 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20547.
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser tijdens de zitting en hetgeen is aangevoerd in beroep, niet blijkt dat eiser is voorbereid door een advocaat op zijn nader gehoor. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet heeft begrepen tijdens het nader gehoor, dat de vraag van de gehoormedewerker ging over een advocaat in de asielprocedure en niet over de advocaat in de bewaringsprocedure.3 Dit is een gebrek.
6.3.
De rechtbank constateert dat zowel in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor als in de zienswijze niet is aangevoerd dat eiser in zijn belangen is geschaad, doordat hij niet voorafgaande aan het nader gehoor is voorbereid door een advocaat. Pas in beroep wordt er door eiser aangevoerd dat zijn verklaringen rondom de discriminatie, die hij zou ervaren als zwarte Mauritaniër, onvoldoende zijn betrokken. In het nader gehoor is eiser bevraagd over zijn asielmotieven. Ter zitting heeft de rechtbank eiser hier verder naar gevraagd en is hij bij zijn verklaringen in het nader gehoor gebleven. Niet is gebleken dat het asielrelaas van eiser niet duidelijk is geworden en dat eiser in het onderbouwen van zijn asielrelaas is belemmerd, doordat hij voorafgaande aan zijn nader gehoor niet is voorbereid door een advocaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het geconstateerde gebrek gepasseerd kan worden, nu niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad.4
Heeft de minister alle asielmotieven van eiser beoordeeld?
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet alle asielmotieven heeft beoordeeld. In Mauritanië wordt eiser vanwege zijn afkomst als slaaf uitgebuit. Er zijn geen andere mogelijkheden om aan betaald werk te komen en hij kan daarvoor geen bescherming krijgen van de overheid. Ter onderbouwing hiervan overlegt eiser een brief van Vluchtelingenwerk die ziet op slavernijpraktijken in Mauritanië.5
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geenszins uit het gehoor van eiser is gebleken, dat hij een motief heeft dat raakt aan Vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM6. In het gehoor heeft eiser verklaard dat hij geen werk kon vinden in Mauritanië en dat hij daarom asiel heeft aangevraagd. Hij heeft verder verklaard dat andere mensen met zijn huidskleur, waaronder zijn neef, wel werk kunnen vinden, maar dat eiser zelf geen ander werk wil doen dan zijn eigen beroep als schilder. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor slavernij.
7.2.
De rechtbank overweegt dat uit de landeninformatie die door eiser is aangehaald blijkt dat drie procent van de bevolking in Mauritanië te maken heeft met slavernij.7 Het gaat dan voornamelijk over personen die gedwongen worden om als onbetaalde huishoudelijke hulp te werken en erfelijke slavernij. Met betrekking tot de slavernij die voorkomt bij de bevolkingsgroep Soninke, beschrijft het rapport dat jonge meisjes uit arme gezinnen soms worden gedwongen om als huishoudelijke hulp te werken in de stedelijke gebieden van Mauritanië.8
3 Op pagina 4 van het nader gehoor.
4 Op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
5 Vluchtelingenwerk Nederland van 12 november 2024, Mauritanië – Slavernijpraktijken (brief VWN).
6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
7 Pagina 1 brief VWN.
8 Pagina 2 brief VWN.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser heeft aangevoerd over zijn afkomst en de gestelde discriminatie met betrekking tot het verkrijgen van werk. Uit hetgeen eiser heeft verklaard in het nader gehoor en op zitting, is niet gebleken dat hij dusdanig wordt gediscrimineerd, dat hij niet kan werken in Mauritanië. Eiser heeft hij meermaals verklaard dat hij enkel bereid is om zijn werk als schilder voort te zetten, dat hij niet op een andere manier wil werken en ook niet heeft gezocht naar werk in een andere sector.9 Eiser heeft verder verklaard dat zijn neef wel werk heeft en hem ook geld heeft gegeven om te kunnen reizen naar Nederland.10 Uit de verklaringen van eiser in het gehoor, ter zitting en de landeninformatie, volgt niet dat eiser te maken heeft met een dusdanige discriminatie, dat hij door zijn afkomst niet kan werken in Mauritanië. Reeds hierom komt de rechtbank niet toe aan de vervolgvraag of de overheid daartegen voldoende bescherming biedt. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. De rechtbank heeft artikel 6:22 van de Awb toegepast en daarom bestaat er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1).
10. Nu op het beroep is beslist ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.
Dictum
De rechtbank in de zaak met zaaknummer NL24.47559, verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter in de zaak met zaaknummer NL24.47560, wijst het verzoek af.
De rechtbank in beide zaken, veroordeeld de minister tot het betalen van € 2721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Waal, griffier.
9 Pagina 8 en 9 van het nader gehoor en de verklaringen ter zitting.
10 Pagina 4, 7 en 8 van het nader gehoor.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 februari 2025
Documentcode: DSR45760899
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.47559 (beroep)
NL24.47560 (voorlopige voorzieningen)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A. Heida), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 12 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend.
1.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2025 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. de Vogel als tolk in de Franse taal en de gemachtigde van de minister.
Asielrelaas
2. Aan zijn asielrelaas legt eiser ten grondslag dat hij Mauritaniër is. Hij heeft verklaard dat hij behoord tot de bevolkingsgroep Soninke en dat de bevolkingsgroep Ghasanye racistisch is tegen zwarte Mauritaniërs. Bij terugkeer vreest hij te lijden omdat hij geen werk meer zal krijgen van de Ghasanye, omdat zij de contracten enkel aan Marokkanen geven.
De bestreden beslissing
3. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De andere motieven die eiser heeft aangedragen zijn volgens de minister enkel sociaaleconomisch en kunnen niet leiden tot een asielvergunning.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid1, omdat hij een nader gehoor heeft gehad zonder dat zijn aanmeldgehoor is besproken met zijn gemachtigde of dat hij is voorbereid op dat nader gehoor. Dat eiser heeft verklaard aan de gehoormedewerker in zijn nader gehoor dat hij wel met zijn advocaat had gesproken doet hier niet aan af, omdat het hier ging over de advocaat in de bewaringsprocedure. De minister had dit moeten weten nu er geen correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor zijn ingediend. Ter zitting heeft eiser verder verduidelijkt dat uit de administratie van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) ook niet blijkt dat hij op het spreekuur is geweest, om zich met een advocaat voor te bereiden op het nader gehoor. Eiser heeft het kader waarin de vragen aan hem werden gesteld niet begrepen. Hij spreekt slecht Frans en het nader gehoor heeft in het Frans plaatsgevonden. Als hij zich had kunnen voorbereiden op het gehoor, had hij beter kunnen vertellen over de discriminatie en de uitbuiting die hij ervaart in Mauritanië. Hij heeft dat nu niet kunnen doen en daarom is hij in zijn belangen geschaad. Het besluit is onzorgvuldig en kan niet in stand blijven.2
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser heeft verklaard in het nader gehoor dat hij een advocaat heeft gesproken voorafgaand aan dat gehoor. Ten tijde van het gehoor van eiser, waren er problemen bij de RvR met het toewijzen van een advocaat. Er waren toen spreekuuradvocaten ter beschikking. Eiser stond ook op die lijst voor de spreekuren. Mocht eiser geen advocaat hebben gesproken voorafgaand aan het nader gehoor, dan is hij niet in zijn belangen geschaad. Hij heeft de mogelijkheid gehad om na zijn gehoor zijn advocaat te spreken en hij heeft met die advocaat ook correcties en aanvullingen op het gehoor ingediend. Hij heeft daarnaast ook een zienswijze ingediend. Met een voorbereiding op het nader gehoor zou er geen andere uitkomst in de procedure zijn geweest. Er is voldoende doorgevraagd tijdens het gehoor en eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn relaas te onderbouwen.
1. Op grond van artikel 3:109 lid 4 of 7 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20547.
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser tijdens de zitting en hetgeen is aangevoerd in beroep, niet blijkt dat eiser is voorbereid door een advocaat op zijn nader gehoor. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet heeft begrepen tijdens het nader gehoor, dat de vraag van de gehoormedewerker ging over een advocaat in de asielprocedure en niet over de advocaat in de bewaringsprocedure.3 Dit is een gebrek.
6.3.
De rechtbank constateert dat zowel in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor als in de zienswijze niet is aangevoerd dat eiser in zijn belangen is geschaad, doordat hij niet voorafgaande aan het nader gehoor is voorbereid door een advocaat. Pas in beroep wordt er door eiser aangevoerd dat zijn verklaringen rondom de discriminatie, die hij zou ervaren als zwarte Mauritaniër, onvoldoende zijn betrokken. In het nader gehoor is eiser bevraagd over zijn asielmotieven. Ter zitting heeft de rechtbank eiser hier verder naar gevraagd en is hij bij zijn verklaringen in het nader gehoor gebleven. Niet is gebleken dat het asielrelaas van eiser niet duidelijk is geworden en dat eiser in het onderbouwen van zijn asielrelaas is belemmerd, doordat hij voorafgaande aan zijn nader gehoor niet is voorbereid door een advocaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het geconstateerde gebrek gepasseerd kan worden, nu niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad.4
Heeft de minister alle asielmotieven van eiser beoordeeld?
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet alle asielmotieven heeft beoordeeld. In Mauritanië wordt eiser vanwege zijn afkomst als slaaf uitgebuit. Er zijn geen andere mogelijkheden om aan betaald werk te komen en hij kan daarvoor geen bescherming krijgen van de overheid. Ter onderbouwing hiervan overlegt eiser een brief van Vluchtelingenwerk die ziet op slavernijpraktijken in Mauritanië.5
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geenszins uit het gehoor van eiser is gebleken, dat hij een motief heeft dat raakt aan Vluchtelingschap of artikel 3 van het EVRM6. In het gehoor heeft eiser verklaard dat hij geen werk kon vinden in Mauritanië en dat hij daarom asiel heeft aangevraagd. Hij heeft verder verklaard dat andere mensen met zijn huidskleur, waaronder zijn neef, wel werk kunnen vinden, maar dat eiser zelf geen ander werk wil doen dan zijn eigen beroep als schilder. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor slavernij.
7.2.
De rechtbank overweegt dat uit de landeninformatie die door eiser is aangehaald blijkt dat drie procent van de bevolking in Mauritanië te maken heeft met slavernij.7 Het gaat dan voornamelijk over personen die gedwongen worden om als onbetaalde huishoudelijke hulp te werken en erfelijke slavernij. Met betrekking tot de slavernij die voorkomt bij de bevolkingsgroep Soninke, beschrijft het rapport dat jonge meisjes uit arme gezinnen soms worden gedwongen om als huishoudelijke hulp te werken in de stedelijke gebieden van Mauritanië.8
3 Op pagina 4 van het nader gehoor.
4 Op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
5 Vluchtelingenwerk Nederland van 12 november 2024, Mauritanië – Slavernijpraktijken (brief VWN).
6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
7 Pagina 1 brief VWN.
8 Pagina 2 brief VWN.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser heeft aangevoerd over zijn afkomst en de gestelde discriminatie met betrekking tot het verkrijgen van werk. Uit hetgeen eiser heeft verklaard in het nader gehoor en op zitting, is niet gebleken dat hij dusdanig wordt gediscrimineerd, dat hij niet kan werken in Mauritanië. Eiser heeft hij meermaals verklaard dat hij enkel bereid is om zijn werk als schilder voort te zetten, dat hij niet op een andere manier wil werken en ook niet heeft gezocht naar werk in een andere sector.9 Eiser heeft verder verklaard dat zijn neef wel werk heeft en hem ook geld heeft gegeven om te kunnen reizen naar Nederland.10 Uit de verklaringen van eiser in het gehoor, ter zitting en de landeninformatie, volgt niet dat eiser te maken heeft met een dusdanige discriminatie, dat hij door zijn afkomst niet kan werken in Mauritanië. Reeds hierom komt de rechtbank niet toe aan de vervolgvraag of de overheid daartegen voldoende bescherming biedt. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. De rechtbank heeft artikel 6:22 van de Awb toegepast en daarom bestaat er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1).
10. Nu op het beroep is beslist ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.
Dictum
De rechtbank in de zaak met zaaknummer NL24.47559, verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter in de zaak met zaaknummer NL24.47560, wijst het verzoek af.
De rechtbank in beide zaken, veroordeeld de minister tot het betalen van € 2721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Waal, griffier.
9 Pagina 8 en 9 van het nader gehoor en de verklaringen ter zitting.
10 Pagina 4, 7 en 8 van het nader gehoor.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 februari 2025
Documentcode: DSR45760899
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.