Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:8748
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,644 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.10667
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eisers] (V-nummer: [V-nummer]) en [eisers] (V-nummer: [V-nummer]), hierna gezamenlijk aan te duiden als eisers,
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Met dagtekening 29 januari 2024 heeft [eisers] een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van [eisers].
Bij brief van 13 februari 2024 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag bevestigd en de beslistermijn met drie maanden verlengd.
Met dagtekening 7 augustus 2024 is een ingebrekestelling naar verweerder gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eisers hebben vervolgens op 6 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. D.P.J. Cain, advocaat te Roermond, die op 12 maart 2025 de beroepsgronden heeft ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat verweerder binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf beslist. Verweerder kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke (verlengde) termijn op de aanvraag heeft beslist. Omdat hij dit heeft nagelaten en hij (volgens de ontvangstbevestiging: op 16 augustus 2024) een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen, was bij het instellen van het beroep voldaan aan de eisen genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, is het beroep kennelijk gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit te worden vernietigd.
4. De rechtbank zal voorts een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Onder verwijzing naar de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 augustus 2024zal de rechtbank verweerder in beginsel opdragen om binnen vier weken het besluit bekend te maken. Deze termijn wordt verlengd tot acht weken indien verweerder binnen die vier weken aan eisers de gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, tot zestien weken indien verweerder aan eisers nader onderzoek aanbiedt of tot twintig weken indien verweerder zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aan eisers aanbiedt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 begint deze termijn (steeds) op de dag na de bekendmaking van de uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn op te leggen omdat zij dat in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet passend acht.
5. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Zij zal de hoogte van deze dwangsom vaststellen op € 100,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
6. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 zal de rechtbank bepalen dat in dit geval verweerder de dwangsom verbeurt voor eisers gezamenlijk.
7. Eisers hebben een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank zal dit verzoek (definitief) honoreren, zodat geen griffierecht zal worden geheven en vergoeding hiervan daarom niet aan de orde is.
8. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 453,50 waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eisers één punt met een waarde van € 907,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en de zaak van eenvoudige aard is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder in beginsel op om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat deze termijn wordt verlengd tot acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak indien verweerder tijdig eisers in de gelegenheid stelt de aanvraag compleet te maken, tot zestien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak indien tijdig nader onderzoek wordt aangeboden of tot twintig weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak indien beide voornoemde situaties van toepassing zijn;
- bepaalt dat verweerder aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 453,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eisers.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 20 mei 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
ECLI:NL:RVS:2024:3476.
ECLI:NL:RVS:2024:2642.
ECLI:NL:RVS:2020:1624.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.10667
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eisers] (V-nummer: [V-nummer]) en [eisers] (V-nummer: [V-nummer]), hierna gezamenlijk aan te duiden als eisers,
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Met dagtekening 29 januari 2024 heeft [eisers] een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van [eisers].
Bij brief van 13 februari 2024 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag bevestigd en de beslistermijn met drie maanden verlengd.
Met dagtekening 7 augustus 2024 is een ingebrekestelling naar verweerder gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eisers hebben vervolgens op 6 maart 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. D.P.J. Cain, advocaat te Roermond, die op 12 maart 2025 de beroepsgronden heeft ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat verweerder binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf beslist. Verweerder kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke (verlengde) termijn op de aanvraag heeft beslist. Omdat hij dit heeft nagelaten en hij (volgens de ontvangstbevestiging: op 16 augustus 2024) een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen, was bij het instellen van het beroep voldaan aan de eisen genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, is het beroep kennelijk gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit te worden vernietigd.
4. De rechtbank zal voorts een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Onder verwijzing naar de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 augustus 2024zal de rechtbank verweerder in beginsel opdragen om binnen vier weken het besluit bekend te maken. Deze termijn wordt verlengd tot acht weken indien verweerder binnen die vier weken aan eisers de gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, tot zestien weken indien verweerder aan eisers nader onderzoek aanbiedt of tot twintig weken indien verweerder zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aan eisers aanbiedt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 begint deze termijn (steeds) op de dag na de bekendmaking van de uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn op te leggen omdat zij dat in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet passend acht.
5. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Zij zal de hoogte van deze dwangsom vaststellen op € 100,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
6. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 zal de rechtbank bepalen dat in dit geval verweerder de dwangsom verbeurt voor eisers gezamenlijk.
7. Eisers hebben een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank zal dit verzoek (definitief) honoreren, zodat geen griffierecht zal worden geheven en vergoeding hiervan daarom niet aan de orde is.
8. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 453,50 waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eisers één punt met een waarde van € 907,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en de zaak van eenvoudige aard is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder in beginsel op om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat deze termijn wordt verlengd tot acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak indien verweerder tijdig eisers in de gelegenheid stelt de aanvraag compleet te maken, tot zestien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak indien tijdig nader onderzoek wordt aangeboden of tot twintig weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak indien beide voornoemde situaties van toepassing zijn;
- bepaalt dat verweerder aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 453,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eisers.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 20 mei 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
ECLI:NL:RVS:2024:3476.
ECLI:NL:RVS:2024:2642.
ECLI:NL:RVS:2020:1624.