Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:8670
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,146 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48326
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 18 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag van 21 januari 2023 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij uitspraak van 23 januari 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep van verzoekster gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van twee weken een besluit op de aanvraag te nemen. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan verzoekster een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.
Verzoekster heeft op 4 december 2024 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op de hierboven genoemde aanvraag.
Bij besluit van 26 februari 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster ingewilligd. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder
zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen besluit heeft genomen binnen de door de rechtbank gestelde termijn. Ook stelt zij vast dat het nieuwe beroep tegen het niet tijdig
beslissen is ingediend nadat de maximale dwangsom is volgelopen. Nu verweerder niet
binnen de door de rechtbank gestelde termijn heeft besloten en de aanvraag hangende een
beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep
van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 16 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RBOBR:2024:215.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48326
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 18 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag van 21 januari 2023 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij uitspraak van 23 januari 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep van verzoekster gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van twee weken een besluit op de aanvraag te nemen. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan verzoekster een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.
Verzoekster heeft op 4 december 2024 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op de hierboven genoemde aanvraag.
Bij besluit van 26 februari 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster ingewilligd. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder
zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen besluit heeft genomen binnen de door de rechtbank gestelde termijn. Ook stelt zij vast dat het nieuwe beroep tegen het niet tijdig
beslissen is ingediend nadat de maximale dwangsom is volgelopen. Nu verweerder niet
binnen de door de rechtbank gestelde termijn heeft besloten en de aanvraag hangende een
beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep
van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 16 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RBOBR:2024:215.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.