Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:8660
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20287
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 8 mei 2025 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Eiser stelt de Poolse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de
vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
5. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft bij besluit van 28 december 2023 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht heeft. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
8. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Strafrechtelijke detentie
9. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld. Na te zijn staande gehouden op 30 april 2025 is eiser in onderhavige bewaring gesteld. Op 8 mei 2025 is de bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan de strafrechtketen vanwege een nog ten uitvoer te leggen vonnis. De minister had eerder kunnen en moeten nagaan dat eiser nog 25 dagen strafdetentie diende te ondergaan. De overheid, waar de minister toe behoort, is immers één en ondeelbaar en de minister had dit eenvoudig kunnen controleren. Indien de minister dit had gedaan, had eiser direct na de staande houding op 30 april 2025 in strafrechtelijke detentie geplaatst kunnen worden en had de bewaring achterwege kunnen blijven. Pas na het vertrekgesprek op 6 mei 2025 realiseerde de minister zich dat er nog een strafrechtelijke vonnis ten uitvoer moest worden gelegd en is men tot handelen overgegaan.
9.1.
De minister heeft ter zitting toegelicht dat het Openbaar Ministerie (OM) de minister op 7 mei 2025 heeft geïnformeerd over het openstaande vonnis van eiser. De volgende dag is de bewaring opgeheven zodat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd. De minister wijst op haar beleid in paragaaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Uit dit beleid volgt dat, wanneer tijdens bewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis nog niet ten uitvoer is gelegd, dit zo snel mogelijk wordt gedaan. De minister dient zodra zij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact op te nemen met het OM over de executie van dit vonnis. Een redelijke uitleg van dit beleid is dat dit binnen vijf werkdagen dient te gebeuren. De minister verwijst daarbij naar de niet gepubliceerde, aan het dossier gevoegde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 7 juni 2018, waarin het voorgaande wordt bevestigd. Tot slot stelt de minister dat het openstaande vonnis onder de aandacht van de minister kwam door bericht van het OM hieromtrent, en niet door het vertrekgesprek van 6 mei 2025 zoals eiser stelt.
9.2.
De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. De minister is niet verplicht voorafgaand aan bewaring te onderzoeken of ten aanzien van de vreemdeling nog niet ten uitvoer gelegde vonnissen bestaan. De minister heeft gehandeld conform haar beleid zoals neergelegd in paragraaf A5/6.13 van de Vc door één dag na bekend te zijn geworden met het openstaande vonnis, de bewaring op te heffen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
10. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in het standpunt dat in afwachting van de strafdetentie of op enig ander moment een lichter middel had volstaan. De rechtbank constateert daarnaast dat eiser geen medische of persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de bewaring onevenredig bezwarend zou zijn.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt en dat zicht op uitzetting steeds aanwezig is geweest. De minister heeft op 1 mei 2025 het OM verzocht eventuele bezwaren tegen de uitzetting van eiser kenbaar te maken. Daarnaast is op 6 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De minister heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat Polen op 8 mei 2025 akkoord heeft gegeven voor de terugname van eiser. Eiser verblijft nu in strafrechtelijke detentie maar er is een M122 aan hem uitgereikt zodat de uitzetting naar Polen kan worden hervat na afloop van de strafrechtelijke detentie.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL18.8960.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20287
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 8 mei 2025 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Eiser stelt de Poolse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de
vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
5. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft bij besluit van 28 december 2023 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht heeft. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
8. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Strafrechtelijke detentie
9. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld. Na te zijn staande gehouden op 30 april 2025 is eiser in onderhavige bewaring gesteld. Op 8 mei 2025 is de bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan de strafrechtketen vanwege een nog ten uitvoer te leggen vonnis. De minister had eerder kunnen en moeten nagaan dat eiser nog 25 dagen strafdetentie diende te ondergaan. De overheid, waar de minister toe behoort, is immers één en ondeelbaar en de minister had dit eenvoudig kunnen controleren. Indien de minister dit had gedaan, had eiser direct na de staande houding op 30 april 2025 in strafrechtelijke detentie geplaatst kunnen worden en had de bewaring achterwege kunnen blijven. Pas na het vertrekgesprek op 6 mei 2025 realiseerde de minister zich dat er nog een strafrechtelijke vonnis ten uitvoer moest worden gelegd en is men tot handelen overgegaan.
9.1.
De minister heeft ter zitting toegelicht dat het Openbaar Ministerie (OM) de minister op 7 mei 2025 heeft geïnformeerd over het openstaande vonnis van eiser. De volgende dag is de bewaring opgeheven zodat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd. De minister wijst op haar beleid in paragaaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Uit dit beleid volgt dat, wanneer tijdens bewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis nog niet ten uitvoer is gelegd, dit zo snel mogelijk wordt gedaan. De minister dient zodra zij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact op te nemen met het OM over de executie van dit vonnis. Een redelijke uitleg van dit beleid is dat dit binnen vijf werkdagen dient te gebeuren. De minister verwijst daarbij naar de niet gepubliceerde, aan het dossier gevoegde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 7 juni 2018, waarin het voorgaande wordt bevestigd. Tot slot stelt de minister dat het openstaande vonnis onder de aandacht van de minister kwam door bericht van het OM hieromtrent, en niet door het vertrekgesprek van 6 mei 2025 zoals eiser stelt.
9.2.
De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. De minister is niet verplicht voorafgaand aan bewaring te onderzoeken of ten aanzien van de vreemdeling nog niet ten uitvoer gelegde vonnissen bestaan. De minister heeft gehandeld conform haar beleid zoals neergelegd in paragraaf A5/6.13 van de Vc door één dag na bekend te zijn geworden met het openstaande vonnis, de bewaring op te heffen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
10. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in het standpunt dat in afwachting van de strafdetentie of op enig ander moment een lichter middel had volstaan. De rechtbank constateert daarnaast dat eiser geen medische of persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de bewaring onevenredig bezwarend zou zijn.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt en dat zicht op uitzetting steeds aanwezig is geweest. De minister heeft op 1 mei 2025 het OM verzocht eventuele bezwaren tegen de uitzetting van eiser kenbaar te maken. Daarnaast is op 6 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De minister heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat Polen op 8 mei 2025 akkoord heeft gegeven voor de terugname van eiser. Eiser verblijft nu in strafrechtelijke detentie maar er is een M122 aan hem uitgereikt zodat de uitzetting naar Polen kan worden hervat na afloop van de strafrechtelijke detentie.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL18.8960.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219.