Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:8652
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,175 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8756
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 oktober 2021 afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 11 januari 2022 is de minister bij deze afwijzing gebleven. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van verzoekster tegen dit besluit bij uitspraak van 21 april 2022 ongegrond verklaard. Op 30 augustus 2024 heeft de minister de beslissing op bezwaar van 11 januari 2022 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister opnieuw bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 mei 2025, samen met de behandeling van het beroep (NL25.8755), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.8755, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBNNE:2022:1472.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8756
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 oktober 2021 afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 11 januari 2022 is de minister bij deze afwijzing gebleven. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van verzoekster tegen dit besluit bij uitspraak van 21 april 2022 ongegrond verklaard. Op 30 augustus 2024 heeft de minister de beslissing op bezwaar van 11 januari 2022 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister opnieuw bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 mei 2025, samen met de behandeling van het beroep (NL25.8755), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.8755, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBNNE:2022:1472.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8756
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 oktober 2021 afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 11 januari 2022 is de minister bij deze afwijzing gebleven. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van verzoekster tegen dit besluit bij uitspraak van 21 april 2022 ongegrond verklaard. Op 30 augustus 2024 heeft de minister de beslissing op bezwaar van 11 januari 2022 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister opnieuw bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 mei 2025, samen met de behandeling van het beroep (NL25.8755), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.8755, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBNNE:2022:1472.