Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:8594
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,218 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1458
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
geboren op [geboortedatum] ,
van Zimbabwaanse nationaliteit,
V-nummer: 289.3720.391,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de Minister van Asiel en Migratie.
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag van 27 oktober 2022 om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 december 2022 buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek, op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met zaaknummer NL25.3360, op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Een tolk was aanwezig.
Beoordeling
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.3360, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3.1.
Dat betekent dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1458
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
geboren op [geboortedatum] ,
van Zimbabwaanse nationaliteit,
V-nummer: 289.3720.391,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de Minister van Asiel en Migratie.
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag van 27 oktober 2022 om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘medische behandeling’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 december 2022 buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek, op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met zaaknummer NL25.3360, op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Een tolk was aanwezig.
Beoordeling
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.3360, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3.1.
Dat betekent dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.