Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:8590
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,806 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12678
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Is er sprake van onrechtmatig binnentreden van de woning?
1. Eiser betoogt allereerst dat de woning onrechtmatig is binnengetreden, omdat niet verifieerbaar is of de elektronische handtekening van de machtiging tot binnentreden in een woning geldig is ondertekend.
2. Verweerder heeft op zitting erkend dat de handtekening in de machtiging niet verifieerbaar was in het document dat in de processtukken zat. Nadien heeft verweerder een digitaal bestand van de machtiging met een verifieerbare handtekening ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de machtiging geldig is.
3. Zoals de rechtbank bekend is, kan de elektronische handtekening worden geverifieerd door het digitale bestand van de maatregel in een pdf-viewer te openen en op de handtekening te klikken. De rechtbank heeft het digitale bestand van de machtiging, dat verweerder na de zitting heeft overgelegd, in een pdf-viewer geopend en nadat de handtekening werd aangeklikt verscheen er een melding met de tekst ‘De handtekening is GELDIG en is ondertekend door politie’. Wanneer er vervolgens op ‘Eigenschappen van de handtekening’ werd geklikt was de tijd van ondertekening te zien: 2025/03/17 12:42:30 + 02’00’, en de naam van de ondertekenaar. Ook stond vermeld dat het document sindsdien niet is gewijzigd en dat de identiteit van de ondertekenaar geldig is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de machtiging tot binnentreden geldig is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser allereerst aan dat op hem als Dublinclaimant geen zelfstandige vertrekplicht rust. Hij erkent dat hij moet meewerken aan zijn overdracht aan de Oostenrijkse autoriteiten, maar voert aan dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat hij zich wel bij de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) heeft gemeld. Verweerder heeft eiser vervolgens niet opnieuw uitgenodigd om de overdracht te regelen. Daarnaast verstrijkt de uiterste overdrachtstermijn pas op 21 mei 2025, zodat verweerder eiser niet nu al in bewaring had hoeven stellen. Tot slot benadrukt eiser dat, als hij had willen verblijven in de illegaliteit, hij zich niet opnieuw had gemeld.
5. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder wijst in dit verband terecht op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat verweerder een lichter middel had moeten opleggen omdat de overdrachtstermijn op 21 mei 2025 verstrijkt en op eiser geen zelfstandige vertrekplicht rust, volgt de rechtbank dan ook niet. Dit geldt ook ten aanzien van de stelling van eiser dat hij zich weer opnieuw heeft gemeld. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat de overdracht van 8 mei 2024 niet heeft kunnen doorgaan omdat eiser zich niet had gemeld en hij vervolgens op 16 mei 2024 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voor de gemachtigde van eiser zichtbaar als stuk 34 in het dossier.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12678
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Is er sprake van onrechtmatig binnentreden van de woning?
1. Eiser betoogt allereerst dat de woning onrechtmatig is binnengetreden, omdat niet verifieerbaar is of de elektronische handtekening van de machtiging tot binnentreden in een woning geldig is ondertekend.
2. Verweerder heeft op zitting erkend dat de handtekening in de machtiging niet verifieerbaar was in het document dat in de processtukken zat. Nadien heeft verweerder een digitaal bestand van de machtiging met een verifieerbare handtekening ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de machtiging geldig is.
3. Zoals de rechtbank bekend is, kan de elektronische handtekening worden geverifieerd door het digitale bestand van de maatregel in een pdf-viewer te openen en op de handtekening te klikken. De rechtbank heeft het digitale bestand van de machtiging, dat verweerder na de zitting heeft overgelegd, in een pdf-viewer geopend en nadat de handtekening werd aangeklikt verscheen er een melding met de tekst ‘De handtekening is GELDIG en is ondertekend door politie’. Wanneer er vervolgens op ‘Eigenschappen van de handtekening’ werd geklikt was de tijd van ondertekening te zien: 2025/03/17 12:42:30 + 02’00’, en de naam van de ondertekenaar. Ook stond vermeld dat het document sindsdien niet is gewijzigd en dat de identiteit van de ondertekenaar geldig is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de machtiging tot binnentreden geldig is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser allereerst aan dat op hem als Dublinclaimant geen zelfstandige vertrekplicht rust. Hij erkent dat hij moet meewerken aan zijn overdracht aan de Oostenrijkse autoriteiten, maar voert aan dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat hij zich wel bij de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) heeft gemeld. Verweerder heeft eiser vervolgens niet opnieuw uitgenodigd om de overdracht te regelen. Daarnaast verstrijkt de uiterste overdrachtstermijn pas op 21 mei 2025, zodat verweerder eiser niet nu al in bewaring had hoeven stellen. Tot slot benadrukt eiser dat, als hij had willen verblijven in de illegaliteit, hij zich niet opnieuw had gemeld.
5. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder wijst in dit verband terecht op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat verweerder een lichter middel had moeten opleggen omdat de overdrachtstermijn op 21 mei 2025 verstrijkt en op eiser geen zelfstandige vertrekplicht rust, volgt de rechtbank dan ook niet. Dit geldt ook ten aanzien van de stelling van eiser dat hij zich weer opnieuw heeft gemeld. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat de overdracht van 8 mei 2024 niet heeft kunnen doorgaan omdat eiser zich niet had gemeld en hij vervolgens op 16 mei 2024 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voor de gemachtigde van eiser zichtbaar als stuk 34 in het dossier.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.