Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:8573
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,918 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/974
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart)
en
de minister van Asiel en Migratie,
de minister
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van 24 december 2024, waarbij het bezwaar van eiseres gegrond is verklaard en waarin haar uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met ingang van 19 augustus 2024 tot 19 augustus 2025 (het bestreden besluit).
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 28 september 2023 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Die asielaanvraag is bij besluit van 8 februari 2024 niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening Zweden verantwoordelijk is voor de afhandeling ervan. Bij uitspraak van 3 juni 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door eiseres ingediende beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend.
2.1
Op 4 april 2024 heeft eiseres verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.
2.2.
Bij besluit van 24 april 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat op grond van A3/7.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) de minister in beginsel artikel 64 niet toepast als de vreemdeling op grond van de Dublinverordening wordt overgedragen. Bovendien is niet gebleken dat het voor eiseres, gelet op haar gezondheidstoestand, onverantwoord zou zijn om te reizen en haar overdracht aan de Zweedse autoriteiten om die reden achterwege zou moeten blijven. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
Op 7 juni 2024 heeft eiseres vervolgens opnieuw verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw 2000. Dit verzoek is bij besluit van 10 juni 2024 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 11 juni 2024 bezwaar gemaakt en heeft ze een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend omdat zij het bezwaar niet in Nederland mag afwachten vanwege het risico op het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum (21 juni 2024). Desgevraagd heeft de minister in reactie op de aan het verzoek ten grondslag gelegde gronden aangegeven dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat eiseres niet in staat kan worden geacht om naar Zweden te reizen en evenmin dat aldaar de voor haar benodigde medische behandeling ontbreekt.
2.4.
Op 11 juni 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de feitelijk overdracht aan Zweden en de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) doorgezonden. Bij uitspraak van 17 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op hetgeen eiseres in haar verzoek heeft aangevoerd, het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
2.5.
Op 3 juli 2024 heeft de minister laten weten dat het besluit van 5 juni 2024 is ingetrokken en dat er opnieuw op het bezwaar zal worden beslist.
2.6.
Op 6 oktober 2024 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) advies uitgebracht. Het BMA-advies vermeldt dat bij eiseres sprake is van een zeer zeldzame tumor in de buik, namelijk MANET (mixed adeno-neuro endocrien tumor). Dit is vastgesteld na een operatie waarbij biopten zijn genomen in februari 2024. De linker eierstok en de linker eileider zijn hierbij verwijderd. Eiseres komt op controles bij de internist-oncoloog en krijgt regelmatig een PET-CT scan. Mocht er progressie zijn dan moet er mogelijk opnieuw een operatie plaatsvinden en/of systeemtherapie (bijvoorbeeld chemotherapie). Op dit moment heeft zij nog buikklachten die aanhouden sinds de operatie. Gewicht toename is nog lastig, eten en drinken gaat wel goed. Daarnaast heeft zij rugklachten met name bij het bewegen.
2.7.
Op 23 december 2024 heeft het BMA een aanvullend advies uitgebracht. In dit aanvullend advies heeft het BMA aangegeven dat uit nagekomen medische informatie van de behandelend internist-oncoloog blijkt dat voor het zeldzame type tumor dat eiseres heeft een zeer specifiek type PET-scan een essentieel onderdeel vormt van de behandeling. Indien follow-up met dit type scan uitblijft, kan progressie van de ziekte en/of uitzaaiingen van de ziekte gemist worden. Nu gebleken is dat dit specifieke type PET-scan niet Nigeria niet aanwezig is, zijn de behandelmogelijkheden onvoldoende om een medische noodsituatie binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden te voorkomen.
2.8.
In het bestreden besluit heeft de minister, onder verwijzing naar het aanvullend BMA-advies van 23 december 2024, het bezwaar gegrond verklaard en aan eiseres uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000, met ingang van 19 augustus 2024 tot 19 augustus 2025. Omdat eiseres op 19 augustus 2024 een toestemmingsverklaring heeft overgelegd, heeft de minister de aanvraag met ingang van 19 augustus 2024 ingewilligd.
Standpunten van partijen
3. Eiseres heeft in haar gronden aangevoerd dat zij zich niet kan vinden in de door de minister gehanteerde ingangsdatum van 19 augustus 2024. Al op 4 april 2024 en 7 juni 2024 zijn er toestemmingsverklaringen overgelegd en daarom had vanaf 4 april 2024 uitstel van vertrek moeten worden verleend. Daarnaast meent eiseres dat de minister haar proceskosten in bezwaar moet vergoeden en dat zij ten onrechte niet is gehoord.
4. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat terecht is uitgegaan van 19 augustus 2024 als ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek. Gemachtigde heeft verwezen naar Werkinstructie 2024/2 waarin wordt aangegeven dat dient te worden uitgegaan van de datum van de toestemmingsverklaring. Dat is 19 augustus 2024, omdat de eerder overgelegde toestemmingsverklaringen zijn overgelegd toen nog werd uitgegaan van een overdracht naar Zweden in plaats van Nigeria en er daarom sprake was van een ander toetsingskader. Bovendien wordt er in de toestemmingsverklaring van 19 augustus 2024 een andere behandelaar genoemd.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek en de afwijzing van het verzoek van eiseres om vergoeding van haar proceskosten in bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. In paragraaf A3/7.3.1 van de Vc 2000 is bepaald dat uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw 2000 wordt verleend met als ingangsdatum de datum van de aanvraag.
Uitzondering hierop is de situatie dat:
de vreemdeling de voor de aanvraag relevante bewijsmiddelen na het indienen van de aanvraag heeft aangeleverd. Dan geldt als ingangsdatum de datum, waarop de vreemdeling zijn aanvraag compleet heeft gemaakt;
de IND de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleent in afwachting van definitieve besluitvorming. Dan geldt als ingangsdatum de datum van het besluit, waarbij uitstel van vertrek is verleend (zie paragraaf A3/7.3.2 Vc 2000).
Ingangsdatum
8. De rechtbank volgt de minister niet in haar standpunt. Zij constateert dat eiseres bij haar aanvraag op 4 april 2024 een toestemmingsverklaring van haar behandelend arts heeft overgelegd met daarbij een brief van deze arts waarin haar medische toestand wordt geschreven. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee op dat moment haar aanvraag compleet gemaakt heeft. Dat in de toestemmingsverklaring van 19 augustus 2024 een andere behandelend arts wordt genoemd doet daar niet aan af. Daarbij betrekt de rechtbank dat het gaat om artsen van hetzelfde medische team. Er is daarmee geen sprake van een andere ziekte dan wel een andere behandeling. Ook het feit dat de minister het in de besluitvorming gehanteerde toetsingskader moest wijzigen toen eiseres niet langer uitzetbaar was naar Zweden maakt niet dat alle stukken op basis waarvan de minister een besluit kon nemen over toepassing van artikel 64 Vw 2000 niet op 4 april 2024 beschikbaar waren. De beroepsgrond slaagt.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
9. Op grond van artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden proceskosten in bezwaar uitsluitend vergoed “voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid”.
9.1.
Dit betekent dat het recht op proceskostenvergoeding alleen bestaat als de heroverweging leidt tot een herroeping van het primaire besluit. Nu de minister het bestreden besluit heeft herroepen, is aan deze voorwaarde voldaan. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen van de minister kan de rechtbank niet anders dan aansluiten bij de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2024 en constateren dat ook aan deze voorwaarde is voldaan.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het gaat om de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek en de weigering om de proceskosten van eiseres in bezwaar te vergoeden.
11. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek wordt vastgesteld op 4 april 2024.
12. De rechtbank voorziet ook zelf in de zaak ten aanzien van het verzoek om proceskosten in de bezwaarfase en wijst dit alsnog toe. De proceskostenvergoeding omvat de kosten voor rechtsbijstand die eiseres in de bezwaarfase heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek 19 augustus 2024 is en daarin het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar is afgewezen;
- bepaalt de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek op 4 april 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 907,- voor de kosten in bezwaar aan eiseres en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
NL24.4792.
Nr. 20243593/2/V3
Nr. 20243593/2/V3
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/974
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart)
en
de minister van Asiel en Migratie,
de minister
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van 24 december 2024, waarbij het bezwaar van eiseres gegrond is verklaard en waarin haar uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met ingang van 19 augustus 2024 tot 19 augustus 2025 (het bestreden besluit).
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 28 september 2023 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Die asielaanvraag is bij besluit van 8 februari 2024 niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening Zweden verantwoordelijk is voor de afhandeling ervan. Bij uitspraak van 3 juni 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door eiseres ingediende beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend.
2.1
Op 4 april 2024 heeft eiseres verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.
2.2.
Bij besluit van 24 april 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat op grond van A3/7.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) de minister in beginsel artikel 64 niet toepast als de vreemdeling op grond van de Dublinverordening wordt overgedragen. Bovendien is niet gebleken dat het voor eiseres, gelet op haar gezondheidstoestand, onverantwoord zou zijn om te reizen en haar overdracht aan de Zweedse autoriteiten om die reden achterwege zou moeten blijven. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
Op 7 juni 2024 heeft eiseres vervolgens opnieuw verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw 2000. Dit verzoek is bij besluit van 10 juni 2024 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 11 juni 2024 bezwaar gemaakt en heeft ze een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend omdat zij het bezwaar niet in Nederland mag afwachten vanwege het risico op het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum (21 juni 2024). Desgevraagd heeft de minister in reactie op de aan het verzoek ten grondslag gelegde gronden aangegeven dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat eiseres niet in staat kan worden geacht om naar Zweden te reizen en evenmin dat aldaar de voor haar benodigde medische behandeling ontbreekt.
2.4.
Op 11 juni 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de feitelijk overdracht aan Zweden en de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) doorgezonden. Bij uitspraak van 17 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op hetgeen eiseres in haar verzoek heeft aangevoerd, het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
2.5.
Op 3 juli 2024 heeft de minister laten weten dat het besluit van 5 juni 2024 is ingetrokken en dat er opnieuw op het bezwaar zal worden beslist.
2.6.
Op 6 oktober 2024 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) advies uitgebracht. Het BMA-advies vermeldt dat bij eiseres sprake is van een zeer zeldzame tumor in de buik, namelijk MANET (mixed adeno-neuro endocrien tumor). Dit is vastgesteld na een operatie waarbij biopten zijn genomen in februari 2024. De linker eierstok en de linker eileider zijn hierbij verwijderd. Eiseres komt op controles bij de internist-oncoloog en krijgt regelmatig een PET-CT scan. Mocht er progressie zijn dan moet er mogelijk opnieuw een operatie plaatsvinden en/of systeemtherapie (bijvoorbeeld chemotherapie). Op dit moment heeft zij nog buikklachten die aanhouden sinds de operatie. Gewicht toename is nog lastig, eten en drinken gaat wel goed. Daarnaast heeft zij rugklachten met name bij het bewegen.
2.7.
Op 23 december 2024 heeft het BMA een aanvullend advies uitgebracht. In dit aanvullend advies heeft het BMA aangegeven dat uit nagekomen medische informatie van de behandelend internist-oncoloog blijkt dat voor het zeldzame type tumor dat eiseres heeft een zeer specifiek type PET-scan een essentieel onderdeel vormt van de behandeling. Indien follow-up met dit type scan uitblijft, kan progressie van de ziekte en/of uitzaaiingen van de ziekte gemist worden. Nu gebleken is dat dit specifieke type PET-scan niet Nigeria niet aanwezig is, zijn de behandelmogelijkheden onvoldoende om een medische noodsituatie binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden te voorkomen.
2.8.
In het bestreden besluit heeft de minister, onder verwijzing naar het aanvullend BMA-advies van 23 december 2024, het bezwaar gegrond verklaard en aan eiseres uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000, met ingang van 19 augustus 2024 tot 19 augustus 2025. Omdat eiseres op 19 augustus 2024 een toestemmingsverklaring heeft overgelegd, heeft de minister de aanvraag met ingang van 19 augustus 2024 ingewilligd.
Standpunten van partijen
3. Eiseres heeft in haar gronden aangevoerd dat zij zich niet kan vinden in de door de minister gehanteerde ingangsdatum van 19 augustus 2024. Al op 4 april 2024 en 7 juni 2024 zijn er toestemmingsverklaringen overgelegd en daarom had vanaf 4 april 2024 uitstel van vertrek moeten worden verleend. Daarnaast meent eiseres dat de minister haar proceskosten in bezwaar moet vergoeden en dat zij ten onrechte niet is gehoord.
4. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat terecht is uitgegaan van 19 augustus 2024 als ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek. Gemachtigde heeft verwezen naar Werkinstructie 2024/2 waarin wordt aangegeven dat dient te worden uitgegaan van de datum van de toestemmingsverklaring. Dat is 19 augustus 2024, omdat de eerder overgelegde toestemmingsverklaringen zijn overgelegd toen nog werd uitgegaan van een overdracht naar Zweden in plaats van Nigeria en er daarom sprake was van een ander toetsingskader. Bovendien wordt er in de toestemmingsverklaring van 19 augustus 2024 een andere behandelaar genoemd.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek en de afwijzing van het verzoek van eiseres om vergoeding van haar proceskosten in bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. In paragraaf A3/7.3.1 van de Vc 2000 is bepaald dat uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw 2000 wordt verleend met als ingangsdatum de datum van de aanvraag.
Uitzondering hierop is de situatie dat:
de vreemdeling de voor de aanvraag relevante bewijsmiddelen na het indienen van de aanvraag heeft aangeleverd. Dan geldt als ingangsdatum de datum, waarop de vreemdeling zijn aanvraag compleet heeft gemaakt;
de IND de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleent in afwachting van definitieve besluitvorming. Dan geldt als ingangsdatum de datum van het besluit, waarbij uitstel van vertrek is verleend (zie paragraaf A3/7.3.2 Vc 2000).
Ingangsdatum
8. De rechtbank volgt de minister niet in haar standpunt. Zij constateert dat eiseres bij haar aanvraag op 4 april 2024 een toestemmingsverklaring van haar behandelend arts heeft overgelegd met daarbij een brief van deze arts waarin haar medische toestand wordt geschreven. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee op dat moment haar aanvraag compleet gemaakt heeft. Dat in de toestemmingsverklaring van 19 augustus 2024 een andere behandelend arts wordt genoemd doet daar niet aan af. Daarbij betrekt de rechtbank dat het gaat om artsen van hetzelfde medische team. Er is daarmee geen sprake van een andere ziekte dan wel een andere behandeling. Ook het feit dat de minister het in de besluitvorming gehanteerde toetsingskader moest wijzigen toen eiseres niet langer uitzetbaar was naar Zweden maakt niet dat alle stukken op basis waarvan de minister een besluit kon nemen over toepassing van artikel 64 Vw 2000 niet op 4 april 2024 beschikbaar waren. De beroepsgrond slaagt.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
9. Op grond van artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden proceskosten in bezwaar uitsluitend vergoed “voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid”.
9.1.
Dit betekent dat het recht op proceskostenvergoeding alleen bestaat als de heroverweging leidt tot een herroeping van het primaire besluit. Nu de minister het bestreden besluit heeft herroepen, is aan deze voorwaarde voldaan. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen van de minister kan de rechtbank niet anders dan aansluiten bij de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2024 en constateren dat ook aan deze voorwaarde is voldaan.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het gaat om de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek en de weigering om de proceskosten van eiseres in bezwaar te vergoeden.
11. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek wordt vastgesteld op 4 april 2024.
12. De rechtbank voorziet ook zelf in de zaak ten aanzien van het verzoek om proceskosten in de bezwaarfase en wijst dit alsnog toe. De proceskostenvergoeding omvat de kosten voor rechtsbijstand die eiseres in de bezwaarfase heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek 19 augustus 2024 is en daarin het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar is afgewezen;
- bepaalt de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek op 4 april 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 907,- voor de kosten in bezwaar aan eiseres en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
NL24.4792.
Nr. 20243593/2/V3
Nr. 20243593/2/V3