Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:8547
Civiel recht
Bodemzaak
16,384 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/675423 / HA ZA 24-966
Vonnis van 14 mei 2025
in de zaak van
RANDSTAD CAMPERS B.V. te Berkel en Rodenrijs,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Randstad,
advocaat: mr. R. Slotboom,
tegen
[bedrijf] CAMPERS B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. L.M. Bischof.
1Waar gaat deze zaak over?
Randstad en [bedrijf] zijn een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met betrekking tot de inkoop en verhuur van campers. De samenwerking is inmiddels beëindigd, maar partijen stellen over en weer nog diverse vorderingen op de andere partij te hebben.
Procesverloop
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 4 november 2024, met beslagstukken en producties 1 tot en met 27;
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 33;
het tussenvonnis van 12 februari 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende overlegging producties tevens vermindering van eis in conventie, met producties 28 tot en met 37;
de akte uitlating van de zijde van [bedrijf] .
2.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 april 2025. Hierbij zijn verschenen:
namens Randstad: de heren [naam 1] (directeur) en [naam 2] (medewerker), met mr. J.M. de Vries (kantoorgenoot van mr. Slotboom voornoemd) ;
namens [bedrijf] : de heren [naam 3] (eigenaar) en [naam 4] (extern adviseur), met mr. Bischof voornoemd.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
2.4.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Randstad en [bedrijf] zijn ondernemingen die zich richten op de verkoop en verhuur en het onderhoud van campers.
3.2.
Partijen zijn een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) aangegaan voor de duur van drie jaar met ingang van 1 april 2021. Partijen hebben zich daarbij verbonden tot een exclusieve samenwerking, waarbij [bedrijf] zich verplichtte tot het verrichten van diensten voor Randstad (omschreven in artikel 2 van de samenwerkingsovereenkomst), waartegenover Randstad zich verplichtte tot betaling voor die diensten.
3.3.
De diensten die [bedrijf] exclusief aan Randstad bood zijn, onder meer (artikel 2.1 en 2.2 van de samenwerkingsovereenkomst):
ondersteuning bij inkoop van campers tegen de voor [bedrijf] geldende tarieven;
de verhuur van campers via de website van [bedrijf] ;
landelijke marketing en verkoopondersteuning;
gebruikmaking van de naam en het logo van [bedrijf] .
3.4.
Randstad was voor deze diensten een vergoeding verschuldigd van 8% van de omzet die Randstad heeft gerealiseerd met de verhuur van campers via de website van [bedrijf] (artikel 2.7 van de samenwerkingsovereenkomst).
3.5.
De samenwerkingsovereenkomst bepaalde ook dat de verhuuropbrengsten die Randstad via de website van [bedrijf] genereerde, rechtstreeks aan Randstad moesten worden voldaan (artikel 2.5). In de praktijk kwamen de verhuuropbrengsten van Randstad terecht op de bankrekening van [bedrijf] . Randstad factureerde haar verhuuropbrengsten aan [bedrijf] .
3.6.
De samenwerking is (na een verlenging van een half jaar) op 30 september 2024 geëindigd.
Geschil
4.1.
Randstad vordert bij vonnis na vermindering van eis – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening:
[bedrijf] te veroordelen tot betaling van primair € 174.168,95, subsidiair € 100.000 en meer subsidiair € 50.000, als voorschot op de vordering in de hoofdzaak;
[bedrijf] te veroordelen in de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente;
in de hoofdzaak:
[bedrijf] te veroordelen tot betaling van € 174.168,95 (de oorspronkelijke vordering bedroeg € 462.507,23), te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de respectieve vervaldata van de facturen;
[bedrijf] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.516,69;
[bedrijf] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de originele eigendomspapieren van de camper met chassisnummer [chassisnummer] aan Randstad af te geven, op straffe van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat [bedrijf] hiermee in gebreke is, met een maximum van € 250.0000;
[bedrijf] te veroordelen in de proceskosten, inclusief de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Randstad legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [bedrijf] op grond van de samenwerkingsovereenkomst is gehouden om haar betalingsverplichtingen en overige verplichtingen tegenover Randstad na te komen.
4.3.
[bedrijf] voert verweer en concludeert – kort samengevat – tot afwijzing van de vorderingen van Randstad. [bedrijf] vordert op haar beurt in reconventie na wijziging van eis – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
Randstad te veroordelen tot betaling van € 32.665,43, te vermeerderen met de begrote schade van de camper althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de respectieve vervaldata van de facturen;
te verklaren voor recht dat Randstad aansprakelijk is voor de door [bedrijf] geleden en nog te lijden schade;
subsidiair:
- te verklaren voor recht dat partijen, na verrekening, over en weer geen vordering hebben op elkaar;
in alle gevallen:
Randstad te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.101,65;
Randstad te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.
4.4.
[bedrijf] Campers legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Randstad haar verplichtingen op grond van de samenwerkingsovereenkomst niet is nagekomen
4.5.
Randstad voert verweer en concludeert – kort samengevat – tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf] .
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De incidentele vorderingen
5.1.
Randstad heeft haar incidentele vorderingen ter zitting gewijzigd in die zin dat die voorwaardelijk zijn, onder de voorwaarde dat geen eindvonnis wordt gewezen. Omdat de rechtbank een eindvonnis zal wijzen, behoeven deze vorderingen daarom geen bespreking meer.
De hoofdzaak (in conventie en in reconventie)
5.2.
De vorderingen van Randstad en de tegenvorderingen van [bedrijf] hangen nauw samen, zodat de rechtbank ze samen zal bespreken.
5.3.
Tussen partijen staat vast dat zij elkaar over en weer nog diverse bedragen verschuldigd zijn. Randstad stelt dat zij nog recht heeft op een fors bedrag aan verhuurinkomsten van [bedrijf] . [bedrijf] stelt daar diverse vorderingen tegenover en meent dat zij na verrekening van diverse bedragen nog een bedrag van Randstad te vorderen heeft. Partijen verschillen met name van mening over het bestaan van de diverse vorderingen van [bedrijf] ofwel over de hoogte van deze vorderingen. De rechtbank zal in het navolgende eerst de vordering van Randstad bespreken en vervolgens de vorderingen van [bedrijf] .
De verhuurinkomsten van Randstad
5.4.
Partijen zijn het erover eens dat [bedrijf] nog een fors bedrag aan verhuurinkomsten aan Randstad verschuldigd is. Zij verschillen echter van mening over de exacte hoogte van het verschuldigde bedrag. Randstad stelt dat zij recht heeft op een bedrag van € 292.552,70, volgens [bedrijf] gaat het om € 284.108,03. Beide partijen stellen dat zij zich hierbij baseren op het werkbestand waarin alle verhuurinkomsten van Randstad werden bijgehouden.
5.5.
Voor de rechtbank is niet inzichtelijk geworden waarop Randstad het hogere bedrag baseert. Randstad heeft desgevraagd ook niet kunnen toelichten waarom zij recht meent te hebben op een hoger bedrag aan verhuurinkomsten dan het door [bedrijf] genoemde bedrag. Gelet hierop stelt de rechtbank het door [bedrijf] aan Randstad verschuldigde bedrag aan verhuurinkomsten op het door [bedrijf] erkende bedrag van € 284.108,03.
De aan [bedrijf] verschuldigde fee van 8%
5.6.
Randstad was op grond van artikel 2.7 van de samenwerkingsovereenkomst een fee van 8% verschuldigd over de omzet die Randstad realiseerde met de verhuur van campers via de website van [bedrijf] . [bedrijf] stelt dat de fee over 2024 (tot en met 30 september 2024) € 92.307,24 bedraagt. Zij baseert zich hierbij op de door Randstad gerealiseerde omzet van € 1.153.840,46 conform het werkbestand van 2024 (productie 20 bij conclusie van antwoord). Volgens [bedrijf] zijn er echter ook nog boekingen via haar website gedaan die zien op camperverhuur na september 2024. [bedrijf] stelt dat Randstad over de hiermee gemoeide omzet aanvullend nog een fee van € 6.485,52 verschuldigd is.
5.7.
Volgens Randstad bedraagt de door haar verschuldigde fee over 2024 (tot 30 september 2024) € 90.642,45. Hoe zij tot dit bedrag is gekomen, heeft zij niet toegelicht. Verder betwist Randstad dat zij een fee verschuldigd is over de boekingen die zien op de periode na 30 september 2024. Zij voert hiertoe aan dat de samenwerking op 30 september 2024 is geëindigd en dat zij na die datum geen gebruik meer heeft kunnen maken van de handelsnaam en het logo van [bedrijf] en evenmin van de website en de overige diensten van [bedrijf] .
5.8.
De rechtbank stelt op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat Randstad tot 30 september 2024 gebruik heeft kunnen maken van de website van [bedrijf] voor het verhuren van haar campers. Wanneer een klant via deze website een camper van Randstad had geboekt, werd deze boeking opgenomen in het werkbestand. Beide partijen hadden toegang tot dit werkbestand en hierin werd (onder meer) de omzet van Randstad bijgehouden. Het werkbestand is niet geordend op boekingsdatum, maar op datum van vertrek van de geboekte campers. [bedrijf] heeft ter zitting toegelicht dat de volgens het werkbestand gerealiseerde omzet door Randstad in de periode na 30 september 2024 ziet op boekingen die verricht zijn vóór 30 september 2024 via haar website. In de eindafrekening 2024 & 2025 die Randstad heeft opgesteld (productie 33 bij conclusie van antwoord in reconventie) brengt Randstad zelf ook de gerealiseerde omzet met vertrekdata in 2024 (inclusief vertrekdata na 30 september) en vertrekdata in 2025 bij [bedrijf] in rekening, een en ander conform het werkbestand van 4 december 2024 (productie 29 en 32 bij conclusie van antwoord in reconventie). Nu de door Randstad verschuldigde fee afhankelijk is van de door haar gerealiseerde omzet met verhuur van campers via de website van [bedrijf] , is Randstad deze fee naar het oordeel van de rechtbank ook verschuldigd over de omzet gerealiseerd met boekingen verricht vóór 30 september 2024, maar met een vertrekdatum na 30 september 2024. [bedrijf] heeft de door Randstad verschuldigde fee gesteld op 8% van de door Randstad gerealiseerde omzet overeenkomstig het werkbestand. Randstad komt voor de periode tot 30 september 2024 uit op een iets lager bedrag, maar zij heeft niet toegelicht waarom zij uitkomt op dit lagere bedrag. Omdat beide partijen ter zitting hebben gesteld dat het werkbestand voor hen leidend was, zal de rechtbank de door Randstad verschuldigde fee daarom stellen op de door [bedrijf] genoemde en toegelichte bedragen van € 92.307,24 (tot 30 september 2024) en € 6.485,52 (na 30 september 2024).
De extra fee van 7%
5.9.
[bedrijf] heeft gesteld dat partijen in het kader van de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst zijn overeengekomen dat Randstad nog een extra fee zal betalen van € 74.998 omdat [bedrijf] door de jaren heen veel extra kosten heeft moeten maken om fouten van Randstad in de boekhouding te corrigeren. Dit bedrag is opgenomen in een concept beëindigingsovereenkomst. Hoewel partijen uiteindelijk geen overeenstemming hebben bereikt over de beëindigingsovereenkomst in zijn geheel, stelt [bedrijf] zich op het standpunt dat wel overeenstemming is bereikt over de extra fee en dat Randstad dit bedrag daarmee aan haar verschuldigd is.
5.10.
Randstad betwist dat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de betaling van een extra fee.
Volgens Randstad kan deze extra fee niet los worden gezien van de overige elementen in de concept beëindigingsovereenkomst. Randstad wilde deze extra fee namelijk alleen betalen als overeenstemming zou worden bereikt met betrekking tot alle punten die partijen verdeeld hielden.
5.11.
De rechtbank is van oordeel dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een extra fee voor [bedrijf] en zij licht haar oordeel als volgt toe. Vast staat dat partijen op 28 maart 2024 met elkaar hebben gesproken over de beëindiging van hun samenwerking per 30 september 2024. Uit de e-mail die [naam 1] van Randstad op 4 april 2024 naar aanleiding van deze bespreking naar [bedrijf] heeft gestuurd (productie 12 bij conclusie van antwoord) blijkt dat partijen met betrekking tot het lopende jaar (2024) hebben gesproken over “diverse punten”, waaronder de marge van [bedrijf] , de extra kosten die [bedrijf] heeft moeten maken om onderzoek te doen naar de administratie en de omvang van de vorderingen over en weer, een verkeerd geleverde camper en de aanbetaling van zes campers van het merk VanTourer.
Conclusie
Gelet op het voorgaande heeft Randstad na verrekening van diverse vorderingen van [bedrijf] nog de volgende vordering:
verhuurinkomsten Randstad € 284.108,03
-/- fee [bedrijf] tot 30/9/2024 € 92.307,24
-/- fee [bedrijf] na 30/9/2024 € 6.485,52
-/- boete VanTourers € 33.376,40
-/- facturen [bedrijf] € 63.556,30
----------------------------------------------------------------
Totaal € 88.382,57
De rechtbank zal [bedrijf] daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag aan Randstad. Gelet hierop zullen de primaire en subsidiaire vordering van [bedrijf] worden afgewezen.
Wettelijke handelsrente
5.24.
Randstad heeft vergoeding van de wettelijke handelsrente gevorderd vanaf de vervaldatum van de respectieve facturen. Omdat na verrekening alleen de laatste facturen van Randstad met vervaldatum 22 augustus 2024 niet volledig zijn voldaan, zal de rechtbank de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf 22 augustus 2024.
Afgifte eigendomspapieren camper
5.25.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] een camper met chassisnummer [chassisnummer] aan Randstad heeft geleverd en dat Randstad de koopsom voor deze camper heeft betaald. [bedrijf] heeft de eigendomspapieren van deze camper echter nog niet afgegeven aan Randstad. Zijn beroept zich op haar retentierecht omdat Randstad niet zou hebben voldaan aan andere financiële verplichtingen jegens haar.
5.26.
De rechtbank is met Randstad van oordeel dat [bedrijf] haar retentierecht ten onrechte uitoefent. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat een schuldeiser op grond van artikel 3:290 juncto artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen een retentierecht heeft op een zaak, als hij een opeisbare vordering op een schuldenaar heeft én er voldoende samenhang is tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak van een ander om de uitoefening van het retentierecht te rechtvaardigen. In dit geval oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende samenhang is tussen de verplichting tot afgifte van de eigendomspapieren van de camper en de vordering die [bedrijf] op Randstad stelt te hebben, die immers geen verband houdt met de geleverde camper. De rechtbank zal [bedrijf] daarom veroordelen tot afgifte van de eigendomspapieren van de camper aan Randstad.
5.27.
De rechtbank ziet aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden als stimulans tot nakoming hiervan. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 1.000 per dag dat [bedrijf] niet aan de veroordeling tot afgifte voldoet en er zal een maximum aan de te verbeuren dwangsommen worden gesteld van € 50.000.
Onrechtmatige concurrentie?
5.28.
[bedrijf] heeft ter zitting toegelicht dat haar vordering om te verklaren voor recht dat Randstad aansprakelijk is voor de door [bedrijf] geleden en nog te lijden schade ziet op schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van onrechtmatige concurrentie door Randstad. [bedrijf] stelt dat Randstad na beëindiging van de samenwerking klanten van [bedrijf] heeft benaderd met als doel om deze klanten over te nemen. Volgens [bedrijf] heeft Randstad hiermee de samenwerkingsovereenkomst geschonden
5.29.
Randstad heeft gemotiveerd betwist dat er tussen partijen een concurrentiebeding geldt of anderszins sprake is van onrechtmatige concurrentie.
5.30.
De rechtbank stelt voorop dat de samenwerkingsovereenkomst geen concurrentiebeding of een relatiebeding bevat en evenmin andere bepalingen die meebrengen dat Randstad geen relaties van [bedrijf] mag benaderen. Partijen zijn twee commerciële en gelijkwaardige spelers in dezelfde branche die vanzelfsprekend een concurrerende positie innemen ten opzichte van elkaar. Om aan te kunnen nemen dat de concurrentie onrechtmatig is, moeten zich bijzondere bijkomende omstandigheden voordoen. [bedrijf] heeft zich in dit verband beroepen op het arrest Boogaard/Vesta (Hoge Raad 9 december 1955, NJ 1956, 157). Dit arrest ziet echter op onrechtmatige concurrentie van een ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalige werkgever en uit dit arrest vloeit voort dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie wanneer een ex-werknemer met behulp van vertrouwelijke informatie van zijn voormalige werkgever duurzame relaties van die werkgever benadert op een wijze die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van die werkgever, daarbij gebruikmakend van de know-how en/of de goodwill die hij bij diezelfde werkgever heeft verkregen. Voor zover voornoemd arrest al van toepassing zou zijn in deze situatie waarin het gaat om twee gelijkwaardige commerciële partijen die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan meerdere in dit arrest genoemde vereisten niet is voldaan. In de eerste plaats is niet vast komen te staan dat Randstad gebruik heeft gemaakt van informatie die zij vertrouwelijk van [bedrijf] heeft verkregen. Verder heeft [bedrijf] ter onderbouwing van haar standpunt één e-mailbericht van Randstad in het geding gebracht waaruit blijkt dat Randstad een relatie van [bedrijf] heeft benaderd (productie 33 bij conclusie van antwoord). Dat Randstad relaties van [bedrijf] heeft benaderd op een manier die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van [bedrijf] is hiermee niet komen vast te staan. Evenmin is gebleken dat sprake is van andere bijzondere omstandigheden die maken dat Randstad zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. De hierop gebaseerde vordering van [bedrijf] is daarmee niet voor toewijzing vatbaar.
Overige stellingen
5.31.
[bedrijf] heeft tot slot nog een aantal stellingen aangedragen waaraan zij geen rechtsgevolg of vordering heeft verbonden. De rechtbank zal daarom niet op deze stellingen ingaan.
Buitengerechtelijke incassokosten,
5.32.
Randstad vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Randstad Campers heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Randstad Campers heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.658,83 (gebaseerd op het toegewezen bedrag) aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
Proceskosten (waaronder de kosten van beslag)
5.33.
De rechtbank constateert dat Randstad na indiening van de conclusie van antwoord de gevorderde hoofdsom fors (met meer dan de helft) heeft verminderd. De huidige in conventie gevorderde hoofdsom wordt ook niet volledig toegewezen omdat daar vorderingen van [bedrijf] tegenover staan die overigens evenmin volledig worden toegewezen. De rechtbank ziet in dit alles aanleiding om de proceskosten (waaronder de beslagkosten), zowel in conventie als in reconventie te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
Dictum
6.1.
veroordeelt [bedrijf] om aan Randstad te betalen een bedrag van € 88.382,57, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 22 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [bedrijf] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de originele eigendomspapieren (de Zullassungsbescheinigung, het EC Certificate of Conformity en de EG-Übereinstimmungsbescheidigung) van de camper met chassisnummer [chassisnummer] aan Randstad af te geven, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat [bedrijf] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000;
6.3.
veroordeelt [bedrijf] om aan Randstad te betalen een bedrag van € 1.658,83 aan buitengerechtelijke incassokosten;
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de hierin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij in conventie de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
Dictum
6.7.
wijst de vorderingen af;
6.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij in reconventie de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.
1366
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/675423 / HA ZA 24-966
Vonnis van 14 mei 2025
in de zaak van
RANDSTAD CAMPERS B.V. te Berkel en Rodenrijs,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Randstad,
advocaat: mr. R. Slotboom,
tegen
[bedrijf] CAMPERS B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. L.M. Bischof.
1Waar gaat deze zaak over?
Randstad en [bedrijf] zijn een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met betrekking tot de inkoop en verhuur van campers. De samenwerking is inmiddels beëindigd, maar partijen stellen over en weer nog diverse vorderingen op de andere partij te hebben.
Procesverloop
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 4 november 2024, met beslagstukken en producties 1 tot en met 27;
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 33;
het tussenvonnis van 12 februari 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende overlegging producties tevens vermindering van eis in conventie, met producties 28 tot en met 37;
de akte uitlating van de zijde van [bedrijf] .
2.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 april 2025. Hierbij zijn verschenen:
namens Randstad: de heren [naam 1] (directeur) en [naam 2] (medewerker), met mr. J.M. de Vries (kantoorgenoot van mr. Slotboom voornoemd) ;
namens [bedrijf] : de heren [naam 3] (eigenaar) en [naam 4] (extern adviseur), met mr. Bischof voornoemd.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
2.4.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Randstad en [bedrijf] zijn ondernemingen die zich richten op de verkoop en verhuur en het onderhoud van campers.
3.2.
Partijen zijn een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) aangegaan voor de duur van drie jaar met ingang van 1 april 2021. Partijen hebben zich daarbij verbonden tot een exclusieve samenwerking, waarbij [bedrijf] zich verplichtte tot het verrichten van diensten voor Randstad (omschreven in artikel 2 van de samenwerkingsovereenkomst), waartegenover Randstad zich verplichtte tot betaling voor die diensten.
3.3.
De diensten die [bedrijf] exclusief aan Randstad bood zijn, onder meer (artikel 2.1 en 2.2 van de samenwerkingsovereenkomst):
ondersteuning bij inkoop van campers tegen de voor [bedrijf] geldende tarieven;
de verhuur van campers via de website van [bedrijf] ;
landelijke marketing en verkoopondersteuning;
gebruikmaking van de naam en het logo van [bedrijf] .
3.4.
Randstad was voor deze diensten een vergoeding verschuldigd van 8% van de omzet die Randstad heeft gerealiseerd met de verhuur van campers via de website van [bedrijf] (artikel 2.7 van de samenwerkingsovereenkomst).
3.5.
De samenwerkingsovereenkomst bepaalde ook dat de verhuuropbrengsten die Randstad via de website van [bedrijf] genereerde, rechtstreeks aan Randstad moesten worden voldaan (artikel 2.5). In de praktijk kwamen de verhuuropbrengsten van Randstad terecht op de bankrekening van [bedrijf] . Randstad factureerde haar verhuuropbrengsten aan [bedrijf] .
3.6.
De samenwerking is (na een verlenging van een half jaar) op 30 september 2024 geëindigd.
Geschil
4.1.
Randstad vordert bij vonnis na vermindering van eis – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening:
[bedrijf] te veroordelen tot betaling van primair € 174.168,95, subsidiair € 100.000 en meer subsidiair € 50.000, als voorschot op de vordering in de hoofdzaak;
[bedrijf] te veroordelen in de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente;
in de hoofdzaak:
[bedrijf] te veroordelen tot betaling van € 174.168,95 (de oorspronkelijke vordering bedroeg € 462.507,23), te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de respectieve vervaldata van de facturen;
[bedrijf] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.516,69;
[bedrijf] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de originele eigendomspapieren van de camper met chassisnummer [chassisnummer] aan Randstad af te geven, op straffe van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat [bedrijf] hiermee in gebreke is, met een maximum van € 250.0000;
[bedrijf] te veroordelen in de proceskosten, inclusief de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Randstad legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [bedrijf] op grond van de samenwerkingsovereenkomst is gehouden om haar betalingsverplichtingen en overige verplichtingen tegenover Randstad na te komen.
4.3.
[bedrijf] voert verweer en concludeert – kort samengevat – tot afwijzing van de vorderingen van Randstad. [bedrijf] vordert op haar beurt in reconventie na wijziging van eis – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
Randstad te veroordelen tot betaling van € 32.665,43, te vermeerderen met de begrote schade van de camper althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de respectieve vervaldata van de facturen;
te verklaren voor recht dat Randstad aansprakelijk is voor de door [bedrijf] geleden en nog te lijden schade;
subsidiair:
- te verklaren voor recht dat partijen, na verrekening, over en weer geen vordering hebben op elkaar;
in alle gevallen:
Randstad te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.101,65;
Randstad te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.
4.4.
[bedrijf] Campers legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Randstad haar verplichtingen op grond van de samenwerkingsovereenkomst niet is nagekomen
4.5.
Randstad voert verweer en concludeert – kort samengevat – tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf] .
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De incidentele vorderingen
5.1.
Randstad heeft haar incidentele vorderingen ter zitting gewijzigd in die zin dat die voorwaardelijk zijn, onder de voorwaarde dat geen eindvonnis wordt gewezen. Omdat de rechtbank een eindvonnis zal wijzen, behoeven deze vorderingen daarom geen bespreking meer.
De hoofdzaak (in conventie en in reconventie)
5.2.
De vorderingen van Randstad en de tegenvorderingen van [bedrijf] hangen nauw samen, zodat de rechtbank ze samen zal bespreken.
5.3.
Tussen partijen staat vast dat zij elkaar over en weer nog diverse bedragen verschuldigd zijn. Randstad stelt dat zij nog recht heeft op een fors bedrag aan verhuurinkomsten van [bedrijf] . [bedrijf] stelt daar diverse vorderingen tegenover en meent dat zij na verrekening van diverse bedragen nog een bedrag van Randstad te vorderen heeft. Partijen verschillen met name van mening over het bestaan van de diverse vorderingen van [bedrijf] ofwel over de hoogte van deze vorderingen. De rechtbank zal in het navolgende eerst de vordering van Randstad bespreken en vervolgens de vorderingen van [bedrijf] .
De verhuurinkomsten van Randstad
5.4.
Partijen zijn het erover eens dat [bedrijf] nog een fors bedrag aan verhuurinkomsten aan Randstad verschuldigd is. Zij verschillen echter van mening over de exacte hoogte van het verschuldigde bedrag. Randstad stelt dat zij recht heeft op een bedrag van € 292.552,70, volgens [bedrijf] gaat het om € 284.108,03. Beide partijen stellen dat zij zich hierbij baseren op het werkbestand waarin alle verhuurinkomsten van Randstad werden bijgehouden.
5.5.
Voor de rechtbank is niet inzichtelijk geworden waarop Randstad het hogere bedrag baseert. Randstad heeft desgevraagd ook niet kunnen toelichten waarom zij recht meent te hebben op een hoger bedrag aan verhuurinkomsten dan het door [bedrijf] genoemde bedrag. Gelet hierop stelt de rechtbank het door [bedrijf] aan Randstad verschuldigde bedrag aan verhuurinkomsten op het door [bedrijf] erkende bedrag van € 284.108,03.
De aan [bedrijf] verschuldigde fee van 8%
5.6.
Randstad was op grond van artikel 2.7 van de samenwerkingsovereenkomst een fee van 8% verschuldigd over de omzet die Randstad realiseerde met de verhuur van campers via de website van [bedrijf] . [bedrijf] stelt dat de fee over 2024 (tot en met 30 september 2024) € 92.307,24 bedraagt. Zij baseert zich hierbij op de door Randstad gerealiseerde omzet van € 1.153.840,46 conform het werkbestand van 2024 (productie 20 bij conclusie van antwoord). Volgens [bedrijf] zijn er echter ook nog boekingen via haar website gedaan die zien op camperverhuur na september 2024. [bedrijf] stelt dat Randstad over de hiermee gemoeide omzet aanvullend nog een fee van € 6.485,52 verschuldigd is.
5.7.
Volgens Randstad bedraagt de door haar verschuldigde fee over 2024 (tot 30 september 2024) € 90.642,45. Hoe zij tot dit bedrag is gekomen, heeft zij niet toegelicht. Verder betwist Randstad dat zij een fee verschuldigd is over de boekingen die zien op de periode na 30 september 2024. Zij voert hiertoe aan dat de samenwerking op 30 september 2024 is geëindigd en dat zij na die datum geen gebruik meer heeft kunnen maken van de handelsnaam en het logo van [bedrijf] en evenmin van de website en de overige diensten van [bedrijf] .
5.8.
De rechtbank stelt op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat Randstad tot 30 september 2024 gebruik heeft kunnen maken van de website van [bedrijf] voor het verhuren van haar campers. Wanneer een klant via deze website een camper van Randstad had geboekt, werd deze boeking opgenomen in het werkbestand. Beide partijen hadden toegang tot dit werkbestand en hierin werd (onder meer) de omzet van Randstad bijgehouden. Het werkbestand is niet geordend op boekingsdatum, maar op datum van vertrek van de geboekte campers. [bedrijf] heeft ter zitting toegelicht dat de volgens het werkbestand gerealiseerde omzet door Randstad in de periode na 30 september 2024 ziet op boekingen die verricht zijn vóór 30 september 2024 via haar website. In de eindafrekening 2024 & 2025 die Randstad heeft opgesteld (productie 33 bij conclusie van antwoord in reconventie) brengt Randstad zelf ook de gerealiseerde omzet met vertrekdata in 2024 (inclusief vertrekdata na 30 september) en vertrekdata in 2025 bij [bedrijf] in rekening, een en ander conform het werkbestand van 4 december 2024 (productie 29 en 32 bij conclusie van antwoord in reconventie). Nu de door Randstad verschuldigde fee afhankelijk is van de door haar gerealiseerde omzet met verhuur van campers via de website van [bedrijf] , is Randstad deze fee naar het oordeel van de rechtbank ook verschuldigd over de omzet gerealiseerd met boekingen verricht vóór 30 september 2024, maar met een vertrekdatum na 30 september 2024. [bedrijf] heeft de door Randstad verschuldigde fee gesteld op 8% van de door Randstad gerealiseerde omzet overeenkomstig het werkbestand. Randstad komt voor de periode tot 30 september 2024 uit op een iets lager bedrag, maar zij heeft niet toegelicht waarom zij uitkomt op dit lagere bedrag. Omdat beide partijen ter zitting hebben gesteld dat het werkbestand voor hen leidend was, zal de rechtbank de door Randstad verschuldigde fee daarom stellen op de door [bedrijf] genoemde en toegelichte bedragen van € 92.307,24 (tot 30 september 2024) en € 6.485,52 (na 30 september 2024).
De extra fee van 7%
5.9.
[bedrijf] heeft gesteld dat partijen in het kader van de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst zijn overeengekomen dat Randstad nog een extra fee zal betalen van € 74.998 omdat [bedrijf] door de jaren heen veel extra kosten heeft moeten maken om fouten van Randstad in de boekhouding te corrigeren. Dit bedrag is opgenomen in een concept beëindigingsovereenkomst. Hoewel partijen uiteindelijk geen overeenstemming hebben bereikt over de beëindigingsovereenkomst in zijn geheel, stelt [bedrijf] zich op het standpunt dat wel overeenstemming is bereikt over de extra fee en dat Randstad dit bedrag daarmee aan haar verschuldigd is.
5.10.
Randstad betwist dat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de betaling van een extra fee.
Volgens Randstad kan deze extra fee niet los worden gezien van de overige elementen in de concept beëindigingsovereenkomst. Randstad wilde deze extra fee namelijk alleen betalen als overeenstemming zou worden bereikt met betrekking tot alle punten die partijen verdeeld hielden.
5.11.
De rechtbank is van oordeel dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een extra fee voor [bedrijf] en zij licht haar oordeel als volgt toe. Vast staat dat partijen op 28 maart 2024 met elkaar hebben gesproken over de beëindiging van hun samenwerking per 30 september 2024. Uit de e-mail die [naam 1] van Randstad op 4 april 2024 naar aanleiding van deze bespreking naar [bedrijf] heeft gestuurd (productie 12 bij conclusie van antwoord) blijkt dat partijen met betrekking tot het lopende jaar (2024) hebben gesproken over “diverse punten”, waaronder de marge van [bedrijf] , de extra kosten die [bedrijf] heeft moeten maken om onderzoek te doen naar de administratie en de omvang van de vorderingen over en weer, een verkeerd geleverde camper en de aanbetaling van zes campers van het merk VanTourer.
Conclusie
Gelet op het voorgaande heeft Randstad na verrekening van diverse vorderingen van [bedrijf] nog de volgende vordering:
verhuurinkomsten Randstad € 284.108,03
-/- fee [bedrijf] tot 30/9/2024 € 92.307,24
-/- fee [bedrijf] na 30/9/2024 € 6.485,52
-/- boete VanTourers € 33.376,40
-/- facturen [bedrijf] € 63.556,30
----------------------------------------------------------------
Totaal € 88.382,57
De rechtbank zal [bedrijf] daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag aan Randstad. Gelet hierop zullen de primaire en subsidiaire vordering van [bedrijf] worden afgewezen.
Wettelijke handelsrente
5.24.
Randstad heeft vergoeding van de wettelijke handelsrente gevorderd vanaf de vervaldatum van de respectieve facturen. Omdat na verrekening alleen de laatste facturen van Randstad met vervaldatum 22 augustus 2024 niet volledig zijn voldaan, zal de rechtbank de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf 22 augustus 2024.
Afgifte eigendomspapieren camper
5.25.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] een camper met chassisnummer [chassisnummer] aan Randstad heeft geleverd en dat Randstad de koopsom voor deze camper heeft betaald. [bedrijf] heeft de eigendomspapieren van deze camper echter nog niet afgegeven aan Randstad. Zijn beroept zich op haar retentierecht omdat Randstad niet zou hebben voldaan aan andere financiële verplichtingen jegens haar.
5.26.
De rechtbank is met Randstad van oordeel dat [bedrijf] haar retentierecht ten onrechte uitoefent. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat een schuldeiser op grond van artikel 3:290 juncto artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen een retentierecht heeft op een zaak, als hij een opeisbare vordering op een schuldenaar heeft én er voldoende samenhang is tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak van een ander om de uitoefening van het retentierecht te rechtvaardigen. In dit geval oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende samenhang is tussen de verplichting tot afgifte van de eigendomspapieren van de camper en de vordering die [bedrijf] op Randstad stelt te hebben, die immers geen verband houdt met de geleverde camper. De rechtbank zal [bedrijf] daarom veroordelen tot afgifte van de eigendomspapieren van de camper aan Randstad.
5.27.
De rechtbank ziet aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden als stimulans tot nakoming hiervan. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 1.000 per dag dat [bedrijf] niet aan de veroordeling tot afgifte voldoet en er zal een maximum aan de te verbeuren dwangsommen worden gesteld van € 50.000.
Onrechtmatige concurrentie?
5.28.
[bedrijf] heeft ter zitting toegelicht dat haar vordering om te verklaren voor recht dat Randstad aansprakelijk is voor de door [bedrijf] geleden en nog te lijden schade ziet op schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van onrechtmatige concurrentie door Randstad. [bedrijf] stelt dat Randstad na beëindiging van de samenwerking klanten van [bedrijf] heeft benaderd met als doel om deze klanten over te nemen. Volgens [bedrijf] heeft Randstad hiermee de samenwerkingsovereenkomst geschonden
5.29.
Randstad heeft gemotiveerd betwist dat er tussen partijen een concurrentiebeding geldt of anderszins sprake is van onrechtmatige concurrentie.
5.30.
De rechtbank stelt voorop dat de samenwerkingsovereenkomst geen concurrentiebeding of een relatiebeding bevat en evenmin andere bepalingen die meebrengen dat Randstad geen relaties van [bedrijf] mag benaderen. Partijen zijn twee commerciële en gelijkwaardige spelers in dezelfde branche die vanzelfsprekend een concurrerende positie innemen ten opzichte van elkaar. Om aan te kunnen nemen dat de concurrentie onrechtmatig is, moeten zich bijzondere bijkomende omstandigheden voordoen. [bedrijf] heeft zich in dit verband beroepen op het arrest Boogaard/Vesta (Hoge Raad 9 december 1955, NJ 1956, 157). Dit arrest ziet echter op onrechtmatige concurrentie van een ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalige werkgever en uit dit arrest vloeit voort dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie wanneer een ex-werknemer met behulp van vertrouwelijke informatie van zijn voormalige werkgever duurzame relaties van die werkgever benadert op een wijze die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van die werkgever, daarbij gebruikmakend van de know-how en/of de goodwill die hij bij diezelfde werkgever heeft verkregen. Voor zover voornoemd arrest al van toepassing zou zijn in deze situatie waarin het gaat om twee gelijkwaardige commerciële partijen die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan meerdere in dit arrest genoemde vereisten niet is voldaan. In de eerste plaats is niet vast komen te staan dat Randstad gebruik heeft gemaakt van informatie die zij vertrouwelijk van [bedrijf] heeft verkregen. Verder heeft [bedrijf] ter onderbouwing van haar standpunt één e-mailbericht van Randstad in het geding gebracht waaruit blijkt dat Randstad een relatie van [bedrijf] heeft benaderd (productie 33 bij conclusie van antwoord). Dat Randstad relaties van [bedrijf] heeft benaderd op een manier die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van [bedrijf] is hiermee niet komen vast te staan. Evenmin is gebleken dat sprake is van andere bijzondere omstandigheden die maken dat Randstad zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. De hierop gebaseerde vordering van [bedrijf] is daarmee niet voor toewijzing vatbaar.
Overige stellingen
5.31.
[bedrijf] heeft tot slot nog een aantal stellingen aangedragen waaraan zij geen rechtsgevolg of vordering heeft verbonden. De rechtbank zal daarom niet op deze stellingen ingaan.
Buitengerechtelijke incassokosten,
5.32.
Randstad vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Randstad Campers heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Randstad Campers heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.658,83 (gebaseerd op het toegewezen bedrag) aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
Proceskosten (waaronder de kosten van beslag)
5.33.
De rechtbank constateert dat Randstad na indiening van de conclusie van antwoord de gevorderde hoofdsom fors (met meer dan de helft) heeft verminderd. De huidige in conventie gevorderde hoofdsom wordt ook niet volledig toegewezen omdat daar vorderingen van [bedrijf] tegenover staan die overigens evenmin volledig worden toegewezen. De rechtbank ziet in dit alles aanleiding om de proceskosten (waaronder de beslagkosten), zowel in conventie als in reconventie te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
Dictum
6.1.
veroordeelt [bedrijf] om aan Randstad te betalen een bedrag van € 88.382,57, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 22 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [bedrijf] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de originele eigendomspapieren (de Zullassungsbescheinigung, het EC Certificate of Conformity en de EG-Übereinstimmungsbescheidigung) van de camper met chassisnummer [chassisnummer] aan Randstad af te geven, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat [bedrijf] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000;
6.3.
veroordeelt [bedrijf] om aan Randstad te betalen een bedrag van € 1.658,83 aan buitengerechtelijke incassokosten;
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de hierin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij in conventie de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
Dictum
6.7.
wijst de vorderingen af;
6.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij in reconventie de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.
1366
Beoordeling
Uit die e-mail blijkt verder dat “We hebben gesproken dat we onder alle over en weer genoemde punten een streep trekken tegen betaling van een bedrag van € 74.998 door ons aan jullie.” [naam 4] reageert hierop bij e-mail van 5 april 2024 namens [bedrijf] – voor zover hier van belang – als volgt: “De betalingsafspraak ad € 74.998 heeft betrekking op het deel van 7% van de totale fee van 15% op de omzet huur 2024 ad € 1.071.400 over de periode 1 januari 2024 t/m 30 september 2024. De over 8% fee over de omzet € 1.071.400 zal conform de ontvangsten maandelijks worden gefactureerd. Tegen de betaling van € 74.998 staan enkele punten tegenover welke specifiek op schrift moeten worden gesteld. [..] Ik zal hier volgende week een concept overeenkomst opstellen welke ook na akkoord bevinding kan worden ondertekend.” (productie 35 bij conclusie van antwoord in reconventie). De beëindigingsovereenkomst die vervolgens door [bedrijf] is opgesteld (productie 36 bij conclusie van antwoord in reconventie) is echter niet door partijen ondertekend.
5.12.
Hoewel uit de hiervoor genoemde correspondentie blijkt dat partijen hebben gesproken over een betaling van € 74.998 van Randstad aan [bedrijf] , blijkt ook dat Randstad dit bedrag alleen wenste te betalen als een streep kon worden gezet onder alle tussen partijen bestaande discussiepunten. Dit duidt erop dat het bedrag van € 74.998 onderdeel was van een zogenaamde “package deal” die er uiteindelijk niet is gekomen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat partijen los van de beëindigingsovereenkomst geen overeenstemming hebben bereikt over betaling van € 74.998 door Randstad aan [bedrijf] . De vordering van [bedrijf] is in zoverre niet voor toewijzing vatbaar.
Zes VanTourers
5.13.
Tussen partijen is verder in geschil of Randstad zes campers van het merk VanTourer bij [bedrijf] heeft besteld. [bedrijf] stelt zich op het standpunt dat dit het geval is. Aanvankelijk maakte [bedrijf] in verband hiermee aanspraak op betaling van de aanbetalingsfactuur ten bedrage van € 36.000 en op een op grond van artikel 2.4 van de samenwerkingsovereenkomst verschuldigde boete van € 33.376,40 (15% van de koopprijs), omdat Randstad heeft afgezien van de koop van de via [bedrijf] bestelde campers. Ter zitting heeft [bedrijf] alleen nog aanspraak gemaakt op de boete omdat de campers uiteindelijk niet aan Randstad zijn geleverd.
5.14.
[bedrijf] heeft ter onderbouwing van haar standpunt toegelicht dat de heer [bedrijf] op 27 augustus 2023 aanwezig was op een caravanbeurs in Düsseldorf. Op dat moment waren campers beperkt verkrijgbaar omdat de coronapandemie een run op campers had veroorzaakt. Op de beurs bleek dat alleen campers van het merk VanTourer beschikbaar waren. [bedrijf] moest snel handelen om de campers te kunnen bestellen en stelt dat zij direct telefonisch contact heeft opgenomen met de heer [naam 1] van Randstad om dit te bespreken en dat de heer [naam 1] in datzelfde telefoongesprek aangaf zes campers te willen bestellen. [bedrijf] heeft vervolgens op de beurs direct twaalf campers besteld, waarvan er zes bestemd waren voor Randstad. Volgens [bedrijf] is hiermee een mondelinge koopovereenkomst tot stand gekomen waaraan Randstad is gebonden.
5.15.
Randstad betwist dat er op 27 augustus 2023 een mondelinge koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.
5.16.
De rechtbank is van oordeel dat uit de toelichting van [bedrijf] en de door partijen overgelegde correspondentie genoegzaam blijkt dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [bedrijf] ten behoeve van Randstad zes campers van het merk VanTourer heeft besteld. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Op 14 september 2023 – tweeënhalve week na de beurs in Düsseldorf waar [bedrijf] de campers heeft besteld – stuurde [bedrijf] een e-mail aan Randstad met als onderwerp “bestelde buscampers vantourer” (productie 24 bij conclusie van antwoord). In deze e-mail vraagt [bedrijf] aan Randstad (en twee andere geadresseerden): “Hierbij de bestelde Vantourers voor 2024. Chassis is niet maar aan te passen. De inbouw en opties wel. Graag doorgeven welke jullie willen hebben met welke opties er op zodat ik ze jullie verhuur en verkoop kan toe bedelen”. Niet gebleken is dat Randstad in reactie op deze e-mail te kennen heeft gegeven dat zij geen campers wilde hebben of dat zij geen campers had besteld. Dit had wel op haar weg gelegen als zij meende dat zij geen campers via [bedrijf] had besteld. Vervolgens heeft [bedrijf] Randstad bij e-mail van 27 maart 2024 (productie 4 bij dagvaarding) een factuur gestuurd voor de aanbetaling van zes campers. Dit betreft de factuur d.d. 5 januari 2024 met factuurnummer [factuur 1] en opmerking “Aanbetaling vantourers 2024” ten bedrage van in totaal € 36.000. Niet gebleken is dat Randstad daartegen onverwijld na ontvangst van de factuur heeft geprotesteerd. Kennelijk hebben partijen wel gesproken over de zes campers tijdens het overleg op 28 maart 2024. [naam 1] van Randstad heeft hierover in zijn e-mail van 4 april 2024 het volgende opgemerkt: “Er is door jullie een factuur gestuurd voor aanbetalingen op de VanTourers. Wij zijn ervan uitgegaan dat er geen campers meer door jullie geleverd zouden worden en hebben zelf elders campers besteld. Voor die nota van 5 januari 2024 ad EUR 36 k moet dus nog een creditnota komen. Wij zullen wel voor jullie onderzoeken of we die campers in de toekomst toch nog kunnen afnemen of voor die campers een andere koper kunnen vinden (VanTourer dealer in Friesland).” Hieruit blijkt niet dat Randstad geen campers bij [bedrijf] zou hebben besteld, maar dat zij er – kennelijk onterecht – van uitging dat deze niet meer zouden worden geleverd. Vervolgens vraagt Randstad op 30 april 2024 per e-mail aan [bedrijf] om de factuur betreffende de aanbetaling van de zes campers te crediteren (productie 4 bij dagvaarding). Omdat [bedrijf] niet aan dit verzoek voldoet, vraagt Randstad bij e-mail van 29 mei 2024 (productie 4 bij conclusie van antwoord) aan [bedrijf] “of wij de facturen van de aanbetalingen a €36.000,000 en de nieuwe fee nota €20.123,31 nog even mogen laten liggen?”. In het licht van al het voorgaande, heeft Randstad de nader toegelichte en geconcretiseerde stelling van [bedrijf] dat er een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de aankoop van zes campers onvoldoende gemotiveerd betwist. Nu Randstad uiteindelijk heeft afgezien van de aankoop van de campers is zij op grond van artikel 2.4 van de samenwerkingsovereenkomst een boete van € 33.376,40 aan [bedrijf] verschuldigd.
Foutief geleverde camper
5.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] een camper aan Randstad heeft geleverd die niet beschikte over de juiste specificaties. [bedrijf] heeft vervolgens aan Randstad gevraagd of zij de camper alsnog wilde afnemen. Randstad wilde dat niet, maar bood wel aan om de camper in haar showroom te laten staan zodat deze verkocht kon worden. Uiteindelijk is de betreffende camper niet verkocht en is deze na anderhalf jaar weer overgedragen aan [bedrijf] . [bedrijf] vordert een vergoeding van € 10.050 (15% van het aankoopbedrag van deze camper) omdat de camper na anderhalf jaar in waarde zou zijn gedaald. Aanvullend vordert [bedrijf] een vergoeding omdat zij de camper beschadigd retour kreeg.
5.18.
Randstad betwist dat zij een vergoeding verschuldigd zou zijn voor de foutief geleverde camper. Verder betwist zij dat de door [bedrijf] gestelde schade bij haar is ontstaan.
5.19.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [bedrijf] niet voor toewijzing vatbaar zijn. Dat [bedrijf] een camper heeft geleverd die niet over de juiste specificaties beschikte, kan Randstad niet worden verweten.
Beoordeling
Uit die e-mail blijkt verder dat “We hebben gesproken dat we onder alle over en weer genoemde punten een streep trekken tegen betaling van een bedrag van € 74.998 door ons aan jullie.” [naam 4] reageert hierop bij e-mail van 5 april 2024 namens [bedrijf] – voor zover hier van belang – als volgt: “De betalingsafspraak ad € 74.998 heeft betrekking op het deel van 7% van de totale fee van 15% op de omzet huur 2024 ad € 1.071.400 over de periode 1 januari 2024 t/m 30 september 2024. De over 8% fee over de omzet € 1.071.400 zal conform de ontvangsten maandelijks worden gefactureerd. Tegen de betaling van € 74.998 staan enkele punten tegenover welke specifiek op schrift moeten worden gesteld. [..] Ik zal hier volgende week een concept overeenkomst opstellen welke ook na akkoord bevinding kan worden ondertekend.” (productie 35 bij conclusie van antwoord in reconventie). De beëindigingsovereenkomst die vervolgens door [bedrijf] is opgesteld (productie 36 bij conclusie van antwoord in reconventie) is echter niet door partijen ondertekend.
5.12.
Hoewel uit de hiervoor genoemde correspondentie blijkt dat partijen hebben gesproken over een betaling van € 74.998 van Randstad aan [bedrijf] , blijkt ook dat Randstad dit bedrag alleen wenste te betalen als een streep kon worden gezet onder alle tussen partijen bestaande discussiepunten. Dit duidt erop dat het bedrag van € 74.998 onderdeel was van een zogenaamde “package deal” die er uiteindelijk niet is gekomen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat partijen los van de beëindigingsovereenkomst geen overeenstemming hebben bereikt over betaling van € 74.998 door Randstad aan [bedrijf] . De vordering van [bedrijf] is in zoverre niet voor toewijzing vatbaar.
Zes VanTourers
5.13.
Tussen partijen is verder in geschil of Randstad zes campers van het merk VanTourer bij [bedrijf] heeft besteld. [bedrijf] stelt zich op het standpunt dat dit het geval is. Aanvankelijk maakte [bedrijf] in verband hiermee aanspraak op betaling van de aanbetalingsfactuur ten bedrage van € 36.000 en op een op grond van artikel 2.4 van de samenwerkingsovereenkomst verschuldigde boete van € 33.376,40 (15% van de koopprijs), omdat Randstad heeft afgezien van de koop van de via [bedrijf] bestelde campers. Ter zitting heeft [bedrijf] alleen nog aanspraak gemaakt op de boete omdat de campers uiteindelijk niet aan Randstad zijn geleverd.
5.14.
[bedrijf] heeft ter onderbouwing van haar standpunt toegelicht dat de heer [bedrijf] op 27 augustus 2023 aanwezig was op een caravanbeurs in Düsseldorf. Op dat moment waren campers beperkt verkrijgbaar omdat de coronapandemie een run op campers had veroorzaakt. Op de beurs bleek dat alleen campers van het merk VanTourer beschikbaar waren. [bedrijf] moest snel handelen om de campers te kunnen bestellen en stelt dat zij direct telefonisch contact heeft opgenomen met de heer [naam 1] van Randstad om dit te bespreken en dat de heer [naam 1] in datzelfde telefoongesprek aangaf zes campers te willen bestellen. [bedrijf] heeft vervolgens op de beurs direct twaalf campers besteld, waarvan er zes bestemd waren voor Randstad. Volgens [bedrijf] is hiermee een mondelinge koopovereenkomst tot stand gekomen waaraan Randstad is gebonden.
5.15.
Randstad betwist dat er op 27 augustus 2023 een mondelinge koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.
5.16.
De rechtbank is van oordeel dat uit de toelichting van [bedrijf] en de door partijen overgelegde correspondentie genoegzaam blijkt dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [bedrijf] ten behoeve van Randstad zes campers van het merk VanTourer heeft besteld. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Op 14 september 2023 – tweeënhalve week na de beurs in Düsseldorf waar [bedrijf] de campers heeft besteld – stuurde [bedrijf] een e-mail aan Randstad met als onderwerp “bestelde buscampers vantourer” (productie 24 bij conclusie van antwoord). In deze e-mail vraagt [bedrijf] aan Randstad (en twee andere geadresseerden): “Hierbij de bestelde Vantourers voor 2024. Chassis is niet maar aan te passen. De inbouw en opties wel. Graag doorgeven welke jullie willen hebben met welke opties er op zodat ik ze jullie verhuur en verkoop kan toe bedelen”. Niet gebleken is dat Randstad in reactie op deze e-mail te kennen heeft gegeven dat zij geen campers wilde hebben of dat zij geen campers had besteld. Dit had wel op haar weg gelegen als zij meende dat zij geen campers via [bedrijf] had besteld. Vervolgens heeft [bedrijf] Randstad bij e-mail van 27 maart 2024 (productie 4 bij dagvaarding) een factuur gestuurd voor de aanbetaling van zes campers. Dit betreft de factuur d.d. 5 januari 2024 met factuurnummer [factuur 1] en opmerking “Aanbetaling vantourers 2024” ten bedrage van in totaal € 36.000. Niet gebleken is dat Randstad daartegen onverwijld na ontvangst van de factuur heeft geprotesteerd. Kennelijk hebben partijen wel gesproken over de zes campers tijdens het overleg op 28 maart 2024. [naam 1] van Randstad heeft hierover in zijn e-mail van 4 april 2024 het volgende opgemerkt: “Er is door jullie een factuur gestuurd voor aanbetalingen op de VanTourers. Wij zijn ervan uitgegaan dat er geen campers meer door jullie geleverd zouden worden en hebben zelf elders campers besteld. Voor die nota van 5 januari 2024 ad EUR 36 k moet dus nog een creditnota komen. Wij zullen wel voor jullie onderzoeken of we die campers in de toekomst toch nog kunnen afnemen of voor die campers een andere koper kunnen vinden (VanTourer dealer in Friesland).” Hieruit blijkt niet dat Randstad geen campers bij [bedrijf] zou hebben besteld, maar dat zij er – kennelijk onterecht – van uitging dat deze niet meer zouden worden geleverd. Vervolgens vraagt Randstad op 30 april 2024 per e-mail aan [bedrijf] om de factuur betreffende de aanbetaling van de zes campers te crediteren (productie 4 bij dagvaarding). Omdat [bedrijf] niet aan dit verzoek voldoet, vraagt Randstad bij e-mail van 29 mei 2024 (productie 4 bij conclusie van antwoord) aan [bedrijf] “of wij de facturen van de aanbetalingen a €36.000,000 en de nieuwe fee nota €20.123,31 nog even mogen laten liggen?”. In het licht van al het voorgaande, heeft Randstad de nader toegelichte en geconcretiseerde stelling van [bedrijf] dat er een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de aankoop van zes campers onvoldoende gemotiveerd betwist. Nu Randstad uiteindelijk heeft afgezien van de aankoop van de campers is zij op grond van artikel 2.4 van de samenwerkingsovereenkomst een boete van € 33.376,40 aan [bedrijf] verschuldigd.
Foutief geleverde camper
5.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] een camper aan Randstad heeft geleverd die niet beschikte over de juiste specificaties. [bedrijf] heeft vervolgens aan Randstad gevraagd of zij de camper alsnog wilde afnemen. Randstad wilde dat niet, maar bood wel aan om de camper in haar showroom te laten staan zodat deze verkocht kon worden. Uiteindelijk is de betreffende camper niet verkocht en is deze na anderhalf jaar weer overgedragen aan [bedrijf] . [bedrijf] vordert een vergoeding van € 10.050 (15% van het aankoopbedrag van deze camper) omdat de camper na anderhalf jaar in waarde zou zijn gedaald. Aanvullend vordert [bedrijf] een vergoeding omdat zij de camper beschadigd retour kreeg.
5.18.
Randstad betwist dat zij een vergoeding verschuldigd zou zijn voor de foutief geleverde camper. Verder betwist zij dat de door [bedrijf] gestelde schade bij haar is ontstaan.
5.19.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [bedrijf] niet voor toewijzing vatbaar zijn. Dat [bedrijf] een camper heeft geleverd die niet over de juiste specificaties beschikte, kan Randstad niet worden verweten.