Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:8542
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,847 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10418
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.10419. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Zij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
3. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is als volgt. Wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, wordt er in beginsel van uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 25 maart 2025 heeft aangegeven dat eiser per 19 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en zelfstandig de opvang heeft verlaten. Ter onderbouwing heeft de minister een kopie van haar systeem INDIGO overgelegd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op 3 april 2025 bericht geen contact meer te hebben met eiser. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming of op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het procesbelang ontbreekt daarom.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en gepubliceerd op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10418
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.10419. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Zij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
3. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is als volgt. Wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, wordt er in beginsel van uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 25 maart 2025 heeft aangegeven dat eiser per 19 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en zelfstandig de opvang heeft verlaten. Ter onderbouwing heeft de minister een kopie van haar systeem INDIGO overgelegd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op 3 april 2025 bericht geen contact meer te hebben met eiser. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming of op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het procesbelang ontbreekt daarom.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en gepubliceerd op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10418
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.10419. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Zij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
3. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is als volgt. Wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, wordt er in beginsel van uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 25 maart 2025 heeft aangegeven dat eiser per 19 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en zelfstandig de opvang heeft verlaten. Ter onderbouwing heeft de minister een kopie van haar systeem INDIGO overgelegd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op 3 april 2025 bericht geen contact meer te hebben met eiser. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming of op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het procesbelang ontbreekt daarom.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en gepubliceerd op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.