Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:8471
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,806 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16046
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 10 januari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring twee keer eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist in de uitspraak van 29 januari 2025 en op het eerste vervolgberoep is beslist in de uitspraak van 5 maart 2025.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overlegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde hebben de rechtbank van tevoren laten weten niet naar de zitting te komen.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 maart 2025 (in de zaak NL25.6862) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 26 februari 2025) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
2. Eiser betoogt allereerst dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Pakistan ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat onduidelijk is of de Pakistaanse autoriteiten een laissez-passer (lp) voor hem zullen verstrekken. Hoewel uit het vertrekgesprek van 9 april 2025 blijkt dat de Pakistaanse autoriteiten hebben aangegeven een lp te zullen verstrekken, blijkt uit de voortgangsrapportage van 8 april 2025 (onder het kopje ‘13. Opmerkingen/bijzonderheden’) dat zij nog bezig zijn. Ook betwist eiser de informatie die verweerder in het stuk ‘Brief rechtbank’ van 15 april 2025 heeft opgenomen, aangezien er geen stukken in het dossier aanwezig zijn die deze informatie onderbouwen.
3. Verweerder heeft op zitting gesteld dat de Pakistaanse autoriteiten op 25 oktober 2024 de nationaliteit van eiser hebben bevestigd, zoals ook blijkt uit de voortgangsrapportage (p. 2). Daarnaast heeft verweerder op zitting verwezen naar het stuk ‘Brief rechtbank’ van 15 april 2025, waarin wordt aangegeven dat een vlucht kan worden aangevraagd en dat de Pakistaanse autoriteiten een lp zullen afgeven zodra de vluchtgegevens in het systeem zijn verwerkt. Ook heeft verweerder op zitting gesteld dat deze vlucht staat gepland voor 2 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende aangetoond dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Pakistaan niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de informatie in de brief van verweerder van 15 april 2025. Eiser heeft hiertoe ook geen concrete aanknopingspunten aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting?
4. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat het (maandelijkse) vertrekgesprek niet tijdig heeft plaatsgevonden. Het feit dat verweerder naar aanleiding van het vervolgberoep op 9 april 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, leidt er niet toe dat het vertrekgesprek alsnog tijdig heeft plaatsgevonden. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder een vlucht naar Pakistan voor eiser heeft aangevraagd, hoewel hij tijdens het vertrekgesprek van 9 april 2025 had aangegeven dit te zullen doen.
5. Uit de voortgangsrapportage van 8 april 2025 blijkt dat verweerder op 10 maart 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Daarnaast blijkt uit het rechtbankdossier dat verweerder ook op 9 april 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat het vertrekgesprek met eiser tijdig heeft plaatsgevonden. Zoals ook in rechtsoverweging 3 is aangegeven, blijkt uit het stuk ‘Brief rechtbank’ van 15 april 2025 dat de landverantwoordelijke op 9 april 2025 de regievoerder heeft geïnformeerd dat een vlucht kan worden aangevraagd en dat de Pakistaanse autoriteiten een lp zullen afgeven zodra de vluchtgegevens in het systeem zijn verwerkt. Daarnaast blijkt uit hetzelfde stuk dat op 9 april 2025 een vluchtaanvraag is verzonden. Verweerder heeft op zitting nog toegevoegd dat deze vlucht staat gepland voor 2 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Is eiser ten onrechte niet geïnformeerd?
6. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is geïnformeerd over de gestelde vluchtdatum (van 2 mei 2025), waardoor hem de mogelijkheid is onthouden om hiertegen een effectief rechtsmiddel te wenden. Verweerder is sinds 11 april 2025 op de hoogte van deze vluchtdatum, maar heeft tot op heden nagelaten eiser of diens gemachtigde hierover te informeren.
7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het staande rechtspraktijk is dat een uitzetting tijdig, dat wil zeggen ten minste 48 uur van tevoren, wordt aangekondigd. Daarnaast heeft verweerder op zitting gesteld dat hij op 15 april 2025 de gemachtigde van eiser in kennis heeft gesteld van eisers vluchtgegevens. Dit is ruim binnen de door de Afdeling goedgekeurde termijn. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van eiser dat verweerder de vluchtdatum niet of niet tijdig heeft gedeeld met eiser of diens gemachtigde. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 29 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1128.
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 5 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3710.
ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:869.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16046
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 10 januari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring twee keer eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist in de uitspraak van 29 januari 2025 en op het eerste vervolgberoep is beslist in de uitspraak van 5 maart 2025.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overlegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde hebben de rechtbank van tevoren laten weten niet naar de zitting te komen.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 maart 2025 (in de zaak NL25.6862) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 26 februari 2025) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
2. Eiser betoogt allereerst dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Pakistan ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat onduidelijk is of de Pakistaanse autoriteiten een laissez-passer (lp) voor hem zullen verstrekken. Hoewel uit het vertrekgesprek van 9 april 2025 blijkt dat de Pakistaanse autoriteiten hebben aangegeven een lp te zullen verstrekken, blijkt uit de voortgangsrapportage van 8 april 2025 (onder het kopje ‘13. Opmerkingen/bijzonderheden’) dat zij nog bezig zijn. Ook betwist eiser de informatie die verweerder in het stuk ‘Brief rechtbank’ van 15 april 2025 heeft opgenomen, aangezien er geen stukken in het dossier aanwezig zijn die deze informatie onderbouwen.
3. Verweerder heeft op zitting gesteld dat de Pakistaanse autoriteiten op 25 oktober 2024 de nationaliteit van eiser hebben bevestigd, zoals ook blijkt uit de voortgangsrapportage (p. 2). Daarnaast heeft verweerder op zitting verwezen naar het stuk ‘Brief rechtbank’ van 15 april 2025, waarin wordt aangegeven dat een vlucht kan worden aangevraagd en dat de Pakistaanse autoriteiten een lp zullen afgeven zodra de vluchtgegevens in het systeem zijn verwerkt. Ook heeft verweerder op zitting gesteld dat deze vlucht staat gepland voor 2 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende aangetoond dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Pakistaan niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de informatie in de brief van verweerder van 15 april 2025. Eiser heeft hiertoe ook geen concrete aanknopingspunten aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting?
4. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat het (maandelijkse) vertrekgesprek niet tijdig heeft plaatsgevonden. Het feit dat verweerder naar aanleiding van het vervolgberoep op 9 april 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, leidt er niet toe dat het vertrekgesprek alsnog tijdig heeft plaatsgevonden. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder een vlucht naar Pakistan voor eiser heeft aangevraagd, hoewel hij tijdens het vertrekgesprek van 9 april 2025 had aangegeven dit te zullen doen.
5. Uit de voortgangsrapportage van 8 april 2025 blijkt dat verweerder op 10 maart 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Daarnaast blijkt uit het rechtbankdossier dat verweerder ook op 9 april 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat het vertrekgesprek met eiser tijdig heeft plaatsgevonden. Zoals ook in rechtsoverweging 3 is aangegeven, blijkt uit het stuk ‘Brief rechtbank’ van 15 april 2025 dat de landverantwoordelijke op 9 april 2025 de regievoerder heeft geïnformeerd dat een vlucht kan worden aangevraagd en dat de Pakistaanse autoriteiten een lp zullen afgeven zodra de vluchtgegevens in het systeem zijn verwerkt. Daarnaast blijkt uit hetzelfde stuk dat op 9 april 2025 een vluchtaanvraag is verzonden. Verweerder heeft op zitting nog toegevoegd dat deze vlucht staat gepland voor 2 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Is eiser ten onrechte niet geïnformeerd?
6. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is geïnformeerd over de gestelde vluchtdatum (van 2 mei 2025), waardoor hem de mogelijkheid is onthouden om hiertegen een effectief rechtsmiddel te wenden. Verweerder is sinds 11 april 2025 op de hoogte van deze vluchtdatum, maar heeft tot op heden nagelaten eiser of diens gemachtigde hierover te informeren.
7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het staande rechtspraktijk is dat een uitzetting tijdig, dat wil zeggen ten minste 48 uur van tevoren, wordt aangekondigd. Daarnaast heeft verweerder op zitting gesteld dat hij op 15 april 2025 de gemachtigde van eiser in kennis heeft gesteld van eisers vluchtgegevens. Dit is ruim binnen de door de Afdeling goedgekeurde termijn. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van eiser dat verweerder de vluchtdatum niet of niet tijdig heeft gedeeld met eiser of diens gemachtigde. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 29 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1128.
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 5 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3710.
ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:869.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.