Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:842
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,480 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.148
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 21 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de oplegging van deze maatregel van bewaring en het voortduren ervan al eerder getoetst bij de uitspraken van 1 november 2024 en 4 december 2024.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 januari 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 4 december 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 29 november 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de Marokkaanse autoriteiten geen medewerking verlenen omtrent de aanvraag voor de afgifte van een laissez-passer (lp) van 25 oktober 2024. Daar komt bij dat eiser zelf ook meerdere activiteiten heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Zo heeft eiser een vrijwilligersbrief geschreven en heeft hij meerdere keren (tevergeefs) geprobeerd te bellen naar het Marokkaanse consulaat. De Marokkaanse autoriteiten hebben derhalve geen enkele intentie om het dossier van eiser op te pakken. Ook steunt de familie van eiser zijn terugkeer naar Marokko niet.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Deze grond is eerder aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 4 december 2024. Daarin staat aangegeven dat er in het algemeen (weer) zicht op uitzetting is naar Marokko binnen een redelijke termijn. Aan de Marokkaanse autoriteiten mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Bovendien blijkt uit de voortgangsrapportage van 3 januari 2025 niet dat de Marokkaanse autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd is dus onvoldoende voor de conclusie dat zij helemaal geen lp zullen verstrekken en dat daarom het zicht op uitzetting ontbreekt. Dat eiser zelf activiteiten heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen maakt dit niet anders. Ook de stellingname van eiser dat zijn familie zijn terugkeer naar Marokko niet steunt maakt niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18050.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 4 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20861.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.148
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 21 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de oplegging van deze maatregel van bewaring en het voortduren ervan al eerder getoetst bij de uitspraken van 1 november 2024 en 4 december 2024.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 januari 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 4 december 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 29 november 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de Marokkaanse autoriteiten geen medewerking verlenen omtrent de aanvraag voor de afgifte van een laissez-passer (lp) van 25 oktober 2024. Daar komt bij dat eiser zelf ook meerdere activiteiten heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Zo heeft eiser een vrijwilligersbrief geschreven en heeft hij meerdere keren (tevergeefs) geprobeerd te bellen naar het Marokkaanse consulaat. De Marokkaanse autoriteiten hebben derhalve geen enkele intentie om het dossier van eiser op te pakken. Ook steunt de familie van eiser zijn terugkeer naar Marokko niet.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Deze grond is eerder aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 4 december 2024. Daarin staat aangegeven dat er in het algemeen (weer) zicht op uitzetting is naar Marokko binnen een redelijke termijn. Aan de Marokkaanse autoriteiten mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Bovendien blijkt uit de voortgangsrapportage van 3 januari 2025 niet dat de Marokkaanse autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd is dus onvoldoende voor de conclusie dat zij helemaal geen lp zullen verstrekken en dat daarom het zicht op uitzetting ontbreekt. Dat eiser zelf activiteiten heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen maakt dit niet anders. Ook de stellingname van eiser dat zijn familie zijn terugkeer naar Marokko niet steunt maakt niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18050.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 4 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20861.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.