Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:8368
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,454 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34833
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: A.J. Philipse).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
1.2.
Met het bestreden besluit van 4 september 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter heeft de minister gevraagd of zij zich wel of niet verzet tegen het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening. In de brief van 11 februari 2025 heeft de minister aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing ten aanzien van dat wat is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift.
2.1
Niet is gebleken dat inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen.
2.2
Omdat de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de (Awb) worden beslist als hierna aangegeven.
2.3
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34833
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: A.J. Philipse).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
1.2.
Met het bestreden besluit van 4 september 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter heeft de minister gevraagd of zij zich wel of niet verzet tegen het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening. In de brief van 11 februari 2025 heeft de minister aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing ten aanzien van dat wat is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift.
2.1
Niet is gebleken dat inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen.
2.2
Omdat de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de (Awb) worden beslist als hierna aangegeven.
2.3
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.