Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:8335
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,201 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.15967 en NL24.15969
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: mr. N. Metalsi).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’ en eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mevrouw [naam] als referente en partner van eiser, de gemachtigde van eiser en de heer J.W. de Man als tolk in de Engelse taal.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’ mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Schending hoorplicht
3. Eiser voert aan dat er geen sprake is van in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde omstandigheden zodat verweerder van horen kon afzien. Verweerder heeft niet aan de in artikel 7:2 van de Awb neergelegde hoorplicht voldaan.
4.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 geoordeeld dat verweerder vreemdelingen vaker zal moeten horen als zij bezwaar maken tegen een besluit. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt en zaken waarin het verblijf van een vreemdeling wordt beëindigd, zoals bij het intrekken van een verleende vergunning en bij het afwijzen van een aanvraag om een vergunning te verlengen.
4.2.
De Afdeling heeft bij dit oordeel het volgende overwogen. De handvatten die de Werkinstructie 2019/16 (WI) biedt om te beoordelen of een bezwaar kennelijk ongegrond is, zijn in algemene zin in overeenstemming met het wettelijk kader. De WI noemt daarbij terecht enkele gevallen waarin evident is dat het in bezwaar aangevoerde het primaire besluit redelijkerwijs niet anders kan maken. Dit is het geval in de situatie waarin een vreemdeling nalaat zijn bezwaar te motiveren en in de situatie waarin een vreemdeling in zijn bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft. Dat is in lijn met vaste Afdelingsjurisprudentie waaruit volgt dat de plicht om te horen in bezwaar afhankelijk is van wat een vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd. In deze situaties is de enkele mogelijkheid dat een vreemdeling tijdens een gehoor eventueel alsnog nieuwe gezichtspunten naar voren kan brengen, onvoldoende grond om hem te horen. Het is kortom aan een vreemdeling om in bezwaar concreet toe te lichten waarom hij zich niet kan verenigen met het primaire besluit; indien hij dit nalaat, kan verweerder redelijkerwijs het bezwaar afwijzen als kennelijk ongegrond.
4.3.
Verder heeft de Afdeling bij dit oordeel overwogen dat er echter ook gevallen zijn waarin het minder vanzelfsprekend is dat van een hoorzitting in bezwaar kan worden afgezien. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de situatie waarin een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem kan worden verlangd, of de situatie waarin er - om welke reden dan ook - nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. Het uitgangspunt dat een vreemdeling gehoord wordt komt in deze situaties bijzonder belang toe, omdat er immers veel omstandigheden denkbaar zijn die meebrengen dat een vreemdeling niet alle verzochte informatie kan overleggen. Een gehoor kan juist dan uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen, of eventueel te zoeken naar oplossingen voor gerezen problemen. Maar ook in de situatie dat het feitencomplex wel compleet is en naar het oordeel van verweerder voldoende duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander oordeel kan leiden, kan verweerder niet zonder meer afzien van horen in bezwaar. Ook in zo’n geval kan een hoorzitting het in de WI genoemde doel dienen dat de vreemdeling zijn visie op de zaak kan geven, en bijvoorbeeld een toelichting kan geven op de mee te wegen belangen. Naar het oordeel van de Afdeling zal verweerder in situaties als deze de vreemdeling dan ook vaker moeten horen en terughoudender moeten omgaan met de uitzonderingen op de hoorplicht. Het in de totstandkomingsgeschiedenis en de WI genoemde doel van de hoorplicht om het vertrouwen tussen burgers en de overheid te versterken en draagvlak te creëren voor besluiten kan immers alleen worden gerealiseerd als in de praktijk het horen van een vreemdeling in bezwaar ook echt de regel is, en dat het afzien daarvan een uitzondering is. De vraag of verweerder in dergelijke situaties niettemin van een gehoor af kan zien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden die meegewogen moeten worden, zijn onder andere:
- de mate waarin een vreemdeling gedurende de gehele procedure met verweerder heeft gecommuniceerd over zijn pogingen om de verzochte informatie boven tafel te krijgen;
- de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van die informatie;
- de aard van de ontbrekende informatie (of het bijvoorbeeld gaat om stukken die essentieel zijn voor de beoordeling van de aanvraag);
- of een vreemdeling in zijn bezwaarschrift expliciet heeft verzocht om een hoorzitting en concreet heeft aangegeven welk belang hij daarbij heeft;
- of een vreemdeling al eerder in de gelegenheid is gesteld om ontbrekende informatie alsnog aan te leveren, en
- of de vreemdeling concrete en onderbouwde redenen heeft gegeven waarom hij bepaalde informatie niet kan overleggen.
De vuistregel hierbij is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. Als alle mee te wegen omstandigheden wijzen op een twijfelgeval, moet - zoals de WI al vermeldt - een vreemdeling worden gehoord.
4.4.
De Afdeling overweegt verder dat het de taak van de bestuursrechter is om de in een besluit genoemde reden om af te zien van horen in bezwaar te toetsen, als daar in de beroepsgronden over wordt geklaagd. Met name in de onder 4.3. besproken situaties, waarin volgens de WI een bezwaar kennelijk ongegrond kan zijn, dient de rechter te toetsen of verweerder voldoende acht heeft geslagen op de persoonlijke en bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval. Als zij op grond daarvan concludeert dat verweerder de vreemdeling ten onrechte niet heeft gehoord, kan dat voor de rechter aanleiding zijn om verweerder alsnog op te dragen de vreemdeling te horen. Daarbij dient de rechter in acht te nemen dat het enkele feit dat een vreemdeling in beroep alsnog zijn situatie heeft kunnen toelichten, niet automatisch meebrengt dat hij niet in zijn belangen is geschaad, gelet op de wezenlijke verschillen die bestaan tussen de bezwaar- en de beroepsfase. Tot zover de jurisprudentie van de Afdeling over het belang van de hoorplicht in bezwaar.
4.5.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 is de Werkinstructie 2019/16 vervangen door Werkinstructie 2022/20. Met deze nieuwe Werkinstructie geeft verweerder uitvoering aan de uitspraak van de Afdeling. De hierboven in 4.3 genoemde relevante omstandigheden die verweerder volgens de Afdeling moet meewegen bij de vraag of er al dan niet van horen kan worden afgezien zijn, komen precies zo terug in de nieuwe Werkinstructie.
Oordeel van de rechtbank: had verweerder eiser moeten horen?
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord. De rechtbank acht daarbij van belang dat de beoordeling of de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ moet worden ingewilligd, sterk afhangt van de individuele omstandigheden van eiser.
Conclusie
7.1.
Het beroep is gegrond omdat er sprake is van een schending van de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak, in het bijzonder met wat zij onder 5. heeft overwogen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
7.3.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Eiser mag het nieuwe besluit op bezwaar in Nederland afwachten zoals verweerder in het primaire besluit ook zelf heeft overwogen. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
7.4.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank,
in de zaak NL24.15967:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
in de zaak NL24.15969:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
in beide zaken:
- bepaalt dat verweerder het griffierecht € 374,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.J.C.M. Schilder, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekenmaking.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Zaak NL24.15969.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:3474, r.o. 2.2.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2729, r.o. 1.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:878 en van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1192.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2865.