Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:8327
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,773 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20471
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 2 mei 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 8 mei 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 12 maart 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 12 maart 2025.Zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser zit al meer dan twee maanden in vreemdelingendetentie en er is nog altijd geen laissez-passer (hierna: lp) afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten en er is ook geen presentatiedatum bekend. Eisers identiteit en nationaliteit staan niet vast. Eiser is ook niet in het bezit van documenten waarmee hij kan aantonen dat hij uit Marokko komt.
6. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De omstandigheid dat er nog geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is gekomen, is onvoldoende voor de conclusie dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven. Ook is niet gebleken van enige pogingen van eiser om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting.
Voortvarend handelen
7. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft sinds het laatste beroep slechts drie keer een rappel gestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten in het kader van de lp-aanvraag. Naast het schriftelijke rappelleren heeft verweerder onvoldoende inspanningen verricht om het dossier van eiser extra onder de aandacht te brengen van de Marokkaanse autoriteiten.
8. Ook hierin wordt eiser niet gevolgd. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 20 maart, 10 april en 1 mei 2025 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Verder blijkt uit het dossier dat het vertrekgesprek op 2 april 2025 geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser geen behoefte had aan het gesprek en dat verweerder op 1 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Door eiser zijn verder geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder nu op dossierniveau zou moeten rappelleren.
Lichter middel
9. Eiser voert tot slot aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ook in een later stadium van de bewaring niet is overgegaan tot het toepassen van een lichter middel zoals een meldplicht of borgtocht. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium, een belangenafweging dient daarom te worden gemaakt.
10. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, zijn nog steeds van toepassing. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die, gelet op het onttrekkingsrisico, maken dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Verder is ook is niet gebleken dat de bewaring onevenredig bezwarend is.Ambtshalve toetsing
11. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 96, eerste lid, van de Vw.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:4185.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20471
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 2 mei 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 8 mei 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 12 maart 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 12 maart 2025.Zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser zit al meer dan twee maanden in vreemdelingendetentie en er is nog altijd geen laissez-passer (hierna: lp) afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten en er is ook geen presentatiedatum bekend. Eisers identiteit en nationaliteit staan niet vast. Eiser is ook niet in het bezit van documenten waarmee hij kan aantonen dat hij uit Marokko komt.
6. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De omstandigheid dat er nog geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is gekomen, is onvoldoende voor de conclusie dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven. Ook is niet gebleken van enige pogingen van eiser om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting.
Voortvarend handelen
7. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft sinds het laatste beroep slechts drie keer een rappel gestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten in het kader van de lp-aanvraag. Naast het schriftelijke rappelleren heeft verweerder onvoldoende inspanningen verricht om het dossier van eiser extra onder de aandacht te brengen van de Marokkaanse autoriteiten.
8. Ook hierin wordt eiser niet gevolgd. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 20 maart, 10 april en 1 mei 2025 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Verder blijkt uit het dossier dat het vertrekgesprek op 2 april 2025 geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser geen behoefte had aan het gesprek en dat verweerder op 1 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Door eiser zijn verder geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder nu op dossierniveau zou moeten rappelleren.
Lichter middel
9. Eiser voert tot slot aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ook in een later stadium van de bewaring niet is overgegaan tot het toepassen van een lichter middel zoals een meldplicht of borgtocht. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium, een belangenafweging dient daarom te worden gemaakt.
10. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, zijn nog steeds van toepassing. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die, gelet op het onttrekkingsrisico, maken dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Verder is ook is niet gebleken dat de bewaring onevenredig bezwarend is.Ambtshalve toetsing
11. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 96, eerste lid, van de Vw.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:4185.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20471
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 2 mei 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 8 mei 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 12 maart 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 12 maart 2025.Zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser zit al meer dan twee maanden in vreemdelingendetentie en er is nog altijd geen laissez-passer (hierna: lp) afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten en er is ook geen presentatiedatum bekend. Eisers identiteit en nationaliteit staan niet vast. Eiser is ook niet in het bezit van documenten waarmee hij kan aantonen dat hij uit Marokko komt.
6. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De omstandigheid dat er nog geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is gekomen, is onvoldoende voor de conclusie dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven. Ook is niet gebleken van enige pogingen van eiser om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting.
Voortvarend handelen
7. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft sinds het laatste beroep slechts drie keer een rappel gestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten in het kader van de lp-aanvraag. Naast het schriftelijke rappelleren heeft verweerder onvoldoende inspanningen verricht om het dossier van eiser extra onder de aandacht te brengen van de Marokkaanse autoriteiten.
8. Ook hierin wordt eiser niet gevolgd. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 20 maart, 10 april en 1 mei 2025 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Verder blijkt uit het dossier dat het vertrekgesprek op 2 april 2025 geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser geen behoefte had aan het gesprek en dat verweerder op 1 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Door eiser zijn verder geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder nu op dossierniveau zou moeten rappelleren.
Lichter middel
9. Eiser voert tot slot aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ook in een later stadium van de bewaring niet is overgegaan tot het toepassen van een lichter middel zoals een meldplicht of borgtocht. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium, een belangenafweging dient daarom te worden gemaakt.
10. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, zijn nog steeds van toepassing. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die, gelet op het onttrekkingsrisico, maken dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Verder is ook is niet gebleken dat de bewaring onevenredig bezwarend is.Ambtshalve toetsing
11. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 96, eerste lid, van de Vw.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:4185.