Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:8266
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,014 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35581
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
Bij besluit van 29 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2024 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en hebben toestemming gegeven de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2.
2.1.
De rechtbank beoordeelt of de minister terecht een terugkeerbesluit en een inreisverbod heeft opgelegd aan eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1976. Op 29 augustus 2024 is eiser aangehouden bij een magazijn als verdachte van overtreding van artikel 3/C van de Opiumwet, artikel 47/1/1 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11/2 van de Opiumwet. Op 29 augustus 2024 is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser is voorafgaand aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit gehoord.
Mocht de minister een terugkeerbesluit opleggen aan eiser?
3.
3.1.
Eiser voert – kort samengevat – aan dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd, daar hij als Albanees met een paspoort visumvrij de Europese Unie mag inreizen en hij binnen zijn vrije termijn rechtmatig verblijf heeft. Eiser is internationaal vrachtwagenchauffeur en hij stelt dat hij zich nog binnen zijn vrije termijn bevond ten tijde van de strafrechtelijke aanhouding. Eiser was toen slechts twee dagen in Nederland en hij heeft uitgelegd dat hij zijn paspoort was vergeten in Italië. Verder voert eiser aan dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken en dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan. Naast € 250,- contant geld heeft eiser ook nog geld op zijn pinpas staan en beschikt hij over een eigen bedrijf.
3.2.
De rechtbank merkt op dat een Albanees met een biometrisch paspoort weliswaar visumvrij de Europese Unie mag inreizen, echter dient die Albanees zijn of haar biometrisch paspoort dan wel bij zich te hebben, zoals blijkt uit artikel 12 van de Vreemdelingenwet (Vw 2000) en de artikelen 2.3 en 4.21 van het Vreemdelingenbesluit (Vb). De stelling van eiser dat hij zijn paspoort in Italië is vergeten, doet hier niet aan af. Van een internationaal vrachtwagenchauffeur mag verwacht worden dat hij een geldig grensoverschrijdingsdocument bij zich heeft. Gelet hierop kon en kan eiser geen rechten ontlenen aan de in artikel 12 van de Vw 2000 neergelegde vrije termijn, nu hij toen hij werd aangetroffen in Nederland niet beschikte over een geldig grensoverschrijdingsdocument. Voor zover eiser al een vrije termijn zou hebben, is die vrije termijn geëindigd toen eiser in een magazijn waar dozen met verdovende middelen waren opgeslagen werd aangehouden wegens verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Dat de voorlopige hechtenis van eiser nadien is opgeheven, maakt niet zonder meer dat de aanhouding van eiser onterecht heeft plaatsgevonden. Wat betreft de grond dat eiser beschikt over onvoldoende middelen van bestaan, kan de rechtbank het standpunt van de minister volgen. Het is niet verifieerbaar of er geld stond op de pinpas van eiser en hoeveel. Wel kan worden vastgesteld dat eiser beschikte over € 250,- contant geld, hetgeen niet voldoende is om te spreken van voldoende middelen van bestaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn op mocht leggen.
Mocht de minister het inreisverbod opleggen aan eiser?
4.
4.1.
Eiser voert aan dat de minister van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien of anders op zijn minst de duur van het inreisverbod had moeten verkorten, omdat zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur voldoende aanleiding hiertoe gaf. Eiser kan met een inreisverbod zijn werk niet uitvoeren, nu hij geen toegang heeft tot de Europese Unie. Eiser heeft een uittreksel uit het handelsregister van zijn bedrijf overgelegd.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Als de minister een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uitvaardigt, moet hij ook een inreisverbod opleggen. De duur van het inreisverbod is ten hoogste twee jaren. De minister kan om humanitaire of andere reden afzien van het opleggen van een inreisverbod. Dat is bijvoorbeeld het geval als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden of als het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser met stukken heeft onderbouwd dat hij een vrachtwagenrijbewijs heeft en dat hij een eenmanszaak heeft in visserijartikelen. Daarmee heeft eiser niet onderbouwd dat hij een internationaal vrachtwagenchauffeur is met een vijftal vrachtwagens die regelmatig de Europese Unie inreist. Eiser heeft niet toegelicht welke landen van de Europese Unie hij binnen moet rijden met zijn vrachtwagens of met welke bedrijven binnen de Europese Unie hij werkt. Zijn stelling dat hij internationaal vrachtwagenchauffeur is en zijn standpunt dat hij daardoor onevenredig zwaar wordt getroffen door het inreisverbod, is gelet op het voorgaande niet alleen zonder sluitende onderbouwing gebleven, maar is ook niet concreet en verifieerbaar toegelicht. Het voorgaande klemt te meer nu eiser zonder paspoort Nederland is ingereisd en hij is aangetroffen in een magazijn met verdovende middelen. Gelet op deze omstandigheden volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat het voorgaande vragen oproept of eiser wel een internationaal vrachtwagenchauffeur is. De minister heeft daarom een inreisverbod van twee jaren mogen opleggen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar mogen uitvaardigen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos ‘t Hoen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 66a, eerste lid, van de Vw.
Artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb.
Artikel 66a, achtste lid, van de Vw.
Paragraaf A4/2.2 van de Vc.