Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:8229
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,360 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL23.28969 (beroep)
NL23.28970 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [V-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] 1977, van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen).
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2022 heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘familie en gezin’ afgewezen.
Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 1 september 2023 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, strekkende tot het verbieden van haar uitzetting totdat op het beroep is beslist.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 mei 2024 op zitting behandeld, samen met het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van haar minderjarige dochters [naam 1] en [naam 2] tegen de afwijzing van hun afzonderlijke aanvragen om een verblijfsvergunning. Aan de zitting hebben deelgenomen eiseres, [naam 1] en [naam 2] , T. Oolman als tolk in de taal Twi, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 14 augustus 2024 een tussenuitspraak gedaan in de beroepsprocedure van [naam 1] en [naam 2] . Gelet op de nauwe samenhang van de zaken van eiseres met de zaken van haar dochters heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het wenselijk is om de herstelpoging van de minister af te wachten alvorens uitspraak te doen in de onderhavige zaken. De minister heeft op 25 september 2024 een aanvullend besluit genomen in de zaken van [naam 1] en [naam 2] . Hierop hebben [naam 1] en [naam 2] op 22 oktober 2024 gereageerd. Omdat de rechtbank heeft bepaald dat in de zaken van [naam 1] en [naam 2] een nadere zitting achterwege blijft en in die zaken heden einduitspraak heeft gedaan, doet de rechtbank ook in de onderhavige zaak uitspraak.
Overwegingen
1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, zodat eiseres in deze procedures is vrijgesteld van de verplichting tot betaling van het griffierecht.
Achtergrond
2. Eiseres heeft op 7 september 2021 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familie en gezin’.
Besluitvorming
3. In het besluit van 15 april 2022, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister deze aanvraag afgewezen. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres weliswaar privéleven in Nederland heeft opgebouwd als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar dat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. De minister heeft hierbij onder meer zwaar in het nadeel van eiseres betrokken dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar minderjarige dochters [naam 1] en [naam 2] . De aanvragen van [naam 1] en [naam 2] voor een verblijfsvergunning zijn namelijk bij afzonderlijk besluit van 24 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hierdoor is geen sprake van een scheiding tussen eiseres en haar kinderen. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd vooral zien op de belangen van haar dochters [naam 1] en [naam 2] . Omdat die belangen in het afzonderlijk besluit op de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] al uitgebreid zijn meegewogen en hierbij is geconcludeerd dat de belangen van [naam 1] en [naam 2] minder zwaar wegen dan de belangen van de Nederlandse overheid, meent de minister dat de belangen van de kinderen voldoende zijn betrokken in de besluitvorming.
Beroepsgronden eiseres
4. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte de belangenafweging in haar nadeel heeft laten uitvallen. Eiseres volgt niet dat geen sprake is van een scheiding van [naam 1] en [naam 2] en wijst erop dat ook beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] voor een verblijfsvergunning. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de focus moet worden gelegd op de banden die [naam 1] en [naam 2] in Nederland hebben opgebouwd en dat tegenover de zwaarwegende belangen van [naam 1] en [naam 2] om met hun moeder in Nederland te blijven, geen zwaarwegende belangen van de Nederlandse overheid zijn gesteld.
Beoordeling
5. De rechtbank overweegt dat zij heden einduitspraak heeft gedaan in de zaken van [naam 1] en [naam 2] . In deze einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de in de tussenuitspraak van 14 augustus 2024 geconstateerde gebreken niet heeft hersteld. Zij heeft het besluit van 24 augustus 2023 tot buitenbehandelingstelling van de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] daarom vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in de onderhavige zaak reeds hierom geen stand kan houden. Het bestreden besluit steunt immers in belangrijke mate op het standpunt van de minister dat eiseres niet wordt gescheiden van [naam 1] en [naam 2] omdat de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] in het besluit van 24 augustus 2023 buiten behandeling zijn gesteld. Nu het besluit van 24 augustus 2023 is vernietigd, moet dan ook worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken.
7. Omdat de rechtbank heeft beslist op het beroep, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek hiertoe daarom af.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht gaat het om vergoeding voor het indienen van het beroepschrift en het verzoekschrift en voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank is van oordeel dat de twee zaken van eiseres samenhangen met de twee zaken van haar dochters. Daarom beschouwt de rechtbank de vier zaken voor de toekenning van de proceskostenvergoeding als twee zaken. In de uitspraak van heden van de dochters van eiseres heeft de rechtbank bepaald dat de minister de kosten moet vergoeden voor het indienen van het beroepschrift,het verzoekschrift en het bijwonen van de zitting. Daarom hoeft de minister in de onderhavige zaak geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL23.28969:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL23.28970:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. V.F.J. Bernt, leden, in aanwezigheid van
mr. F.W. Victoor, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zaaknummer NL23.29268.
Zaaknummer NL23.29269.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL23.28969 (beroep)
NL23.28970 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [V-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] 1977, van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen).
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2022 heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘familie en gezin’ afgewezen.
Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 1 september 2023 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, strekkende tot het verbieden van haar uitzetting totdat op het beroep is beslist.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 mei 2024 op zitting behandeld, samen met het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van haar minderjarige dochters [naam 1] en [naam 2] tegen de afwijzing van hun afzonderlijke aanvragen om een verblijfsvergunning. Aan de zitting hebben deelgenomen eiseres, [naam 1] en [naam 2] , T. Oolman als tolk in de taal Twi, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 14 augustus 2024 een tussenuitspraak gedaan in de beroepsprocedure van [naam 1] en [naam 2] . Gelet op de nauwe samenhang van de zaken van eiseres met de zaken van haar dochters heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het wenselijk is om de herstelpoging van de minister af te wachten alvorens uitspraak te doen in de onderhavige zaken. De minister heeft op 25 september 2024 een aanvullend besluit genomen in de zaken van [naam 1] en [naam 2] . Hierop hebben [naam 1] en [naam 2] op 22 oktober 2024 gereageerd. Omdat de rechtbank heeft bepaald dat in de zaken van [naam 1] en [naam 2] een nadere zitting achterwege blijft en in die zaken heden einduitspraak heeft gedaan, doet de rechtbank ook in de onderhavige zaak uitspraak.
Overwegingen
1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, zodat eiseres in deze procedures is vrijgesteld van de verplichting tot betaling van het griffierecht.
Achtergrond
2. Eiseres heeft op 7 september 2021 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familie en gezin’.
Besluitvorming
3. In het besluit van 15 april 2022, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister deze aanvraag afgewezen. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres weliswaar privéleven in Nederland heeft opgebouwd als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar dat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. De minister heeft hierbij onder meer zwaar in het nadeel van eiseres betrokken dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar minderjarige dochters [naam 1] en [naam 2] . De aanvragen van [naam 1] en [naam 2] voor een verblijfsvergunning zijn namelijk bij afzonderlijk besluit van 24 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hierdoor is geen sprake van een scheiding tussen eiseres en haar kinderen. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd vooral zien op de belangen van haar dochters [naam 1] en [naam 2] . Omdat die belangen in het afzonderlijk besluit op de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] al uitgebreid zijn meegewogen en hierbij is geconcludeerd dat de belangen van [naam 1] en [naam 2] minder zwaar wegen dan de belangen van de Nederlandse overheid, meent de minister dat de belangen van de kinderen voldoende zijn betrokken in de besluitvorming.
Beroepsgronden eiseres
4. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte de belangenafweging in haar nadeel heeft laten uitvallen. Eiseres volgt niet dat geen sprake is van een scheiding van [naam 1] en [naam 2] en wijst erop dat ook beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] voor een verblijfsvergunning. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de focus moet worden gelegd op de banden die [naam 1] en [naam 2] in Nederland hebben opgebouwd en dat tegenover de zwaarwegende belangen van [naam 1] en [naam 2] om met hun moeder in Nederland te blijven, geen zwaarwegende belangen van de Nederlandse overheid zijn gesteld.
Beoordeling
5. De rechtbank overweegt dat zij heden einduitspraak heeft gedaan in de zaken van [naam 1] en [naam 2] . In deze einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de in de tussenuitspraak van 14 augustus 2024 geconstateerde gebreken niet heeft hersteld. Zij heeft het besluit van 24 augustus 2023 tot buitenbehandelingstelling van de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] daarom vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in de onderhavige zaak reeds hierom geen stand kan houden. Het bestreden besluit steunt immers in belangrijke mate op het standpunt van de minister dat eiseres niet wordt gescheiden van [naam 1] en [naam 2] omdat de aanvragen van [naam 1] en [naam 2] in het besluit van 24 augustus 2023 buiten behandeling zijn gesteld. Nu het besluit van 24 augustus 2023 is vernietigd, moet dan ook worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken.
7. Omdat de rechtbank heeft beslist op het beroep, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek hiertoe daarom af.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht gaat het om vergoeding voor het indienen van het beroepschrift en het verzoekschrift en voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank is van oordeel dat de twee zaken van eiseres samenhangen met de twee zaken van haar dochters. Daarom beschouwt de rechtbank de vier zaken voor de toekenning van de proceskostenvergoeding als twee zaken. In de uitspraak van heden van de dochters van eiseres heeft de rechtbank bepaald dat de minister de kosten moet vergoeden voor het indienen van het beroepschrift,het verzoekschrift en het bijwonen van de zitting. Daarom hoeft de minister in de onderhavige zaak geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL23.28969:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL23.28970:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. V.F.J. Bernt, leden, in aanwezigheid van
mr. F.W. Victoor, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zaaknummer NL23.29268.
Zaaknummer NL23.29269.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.