Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:8221
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,474 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20818
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 6 mei 2025 van verweerder een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 8 mei 2025 gesloten.
Overwegingen
Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2005.
Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 februari 2025.
5. Eiser voert aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat verweerder niet met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan. Eiser is in de periode van 11 februari 2025 tot 24 april 2025 immers niet gehoord. Eiser heeft niet geweigerd om met de regievoerder in gesprek te gaan op 20 maart 2025, dat blijkt ook uit het verslag van het vertrekgesprek van 24 april 2025. Het had op de weg van verweerder gelegen om de komst van eiser tijdens dat gesprek van 20 maart 2025 af te wachten, dan wel kort na die datum een nieuw vertrekgesprek in te plannen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser in het vertrekgesprek van 24 april 2025 over het weigeren van het gesprek op 20 maart 2025 heeft verklaard dat er sprake moet zijn geweest van een misverstand. Eiser werd opgeroepen en toen hij, na behoorlijk lange tijd zijn kamer uitkwam, was de regievoerder al vertrokken. Dat het gesprek geen doorgang heeft kunnen vinden en dat het niet verschijnen is aangemerkt als “weigering” is naar het oordeel van de rechtbank dan ook te wijten aan eiser zelf en komt voor zijn eigen rekening en risico. Daar komt bij dat verweerder op 27 februari 2025 en op 20 maart 2025 andere uitzettingshandelingen heeft verricht door een rappel te sturen aan de Marokkaanse autoriteiten in verband met de lp-aanvraag voor eiser. Gelet hierop werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom ook niet.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 96, eerste lid, van de Vw.
ECLI:NL:RBDHA:2025:3027.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20818
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 6 mei 2025 van verweerder een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 8 mei 2025 gesloten.
Overwegingen
Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2005.
Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 februari 2025.
5. Eiser voert aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat verweerder niet met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan. Eiser is in de periode van 11 februari 2025 tot 24 april 2025 immers niet gehoord. Eiser heeft niet geweigerd om met de regievoerder in gesprek te gaan op 20 maart 2025, dat blijkt ook uit het verslag van het vertrekgesprek van 24 april 2025. Het had op de weg van verweerder gelegen om de komst van eiser tijdens dat gesprek van 20 maart 2025 af te wachten, dan wel kort na die datum een nieuw vertrekgesprek in te plannen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser in het vertrekgesprek van 24 april 2025 over het weigeren van het gesprek op 20 maart 2025 heeft verklaard dat er sprake moet zijn geweest van een misverstand. Eiser werd opgeroepen en toen hij, na behoorlijk lange tijd zijn kamer uitkwam, was de regievoerder al vertrokken. Dat het gesprek geen doorgang heeft kunnen vinden en dat het niet verschijnen is aangemerkt als “weigering” is naar het oordeel van de rechtbank dan ook te wijten aan eiser zelf en komt voor zijn eigen rekening en risico. Daar komt bij dat verweerder op 27 februari 2025 en op 20 maart 2025 andere uitzettingshandelingen heeft verricht door een rappel te sturen aan de Marokkaanse autoriteiten in verband met de lp-aanvraag voor eiser. Gelet hierop werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom ook niet.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 96, eerste lid, van de Vw.
ECLI:NL:RBDHA:2025:3027.