Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:8190
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,530 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15979
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer 1], eiseres,
mede namens haar minderjarige dochter,
[minderjarige], V-nummer: [nummer 2],
geboren op [geboortedatum 2],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1]. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.15980. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die in de Dublinverordening staat. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 19 december 2024 bij Duitsland een verzoek om overname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 23 december 2024, op grond van artikel 18, eerste lid aanhef en onder d van de Dublinverordening aanvaard.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiseres betoogt dat de minister ten aanzien van Duitsland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres voert hiertoe aan dat uit de landeninformatie volgt dat er grote zorgen zijn omtrent de opvangcapaciteit in Duitsland. Zo zou meerdere keren zijn gebleken dat Duitsland de aantallen asielzoekers niet goed kan opvangen. Asielzoekers krijgen in Duitsland ook geen rechtsbijstand.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat zij voor Duitsland nog altijd mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Eiseres heeft haar stellingen namelijk niet voldoende onderbouwd of geconcretiseerd. De enkele verwijzing naar het AIDA rapport is in dat kader onvoldoende. Mocht eiseres problemen ervaren in Duitsland dan kan zij zich wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten. De rechtbank is niet gebleken dat klagen voor eiseres onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Had de minister de asielaanvraag aan zich moeten trekken?
6. Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Eiseres heeft angst voor de vader van haar dochter. Eiseres voert aan dat zij grote angst heeft door de vader van haar dochter gevonden te worden en is van mening dat Nederland een veiliger land is voor haar. Eiseres stelt dat zij deze veiligheid niet op een andere manier kan creëren.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uitgaande van de terughoudende toets is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Duitsland voor haar onevenredig hard is. In het besluit is voldoende duidelijk uiteengezet welke feiten en omstandigheden zijn betrokken bij dat standpunt. De enkele niet nader onderbouwde stelling van eiseres dat zij Nederland als veiliger beschouwt en bang is voor de vader van haar dochter maken niet dat de minister de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.
Conclusie
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en gepubliceerd op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2024:3661 en ECLI:NL:RBDHA:2024:16631.