Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:8032
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,240 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3208
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. A.A.J. Willems).
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft op 22 januari 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eiseres stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2007. Zij heeft op 6 december 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. De in voornoemd artikel neergelegde discretionaire bevoegdheid wordt nader ingevuld door artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 18 april 2023 in Roemenië een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 26 januari 2024 nader onderzoek gedaan naar de verblijfsstatus van eiseres. De Roemeense autoriteiten hebben met bericht van 29 februari 2024 laten weten dat eiseres sinds 30 mei 2023 internationale bescherming geniet in Roemenië.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat verweerder niet kan uitgaan van de informatie uit Eurodac en de brief van de Roemeense autoriteiten over haar verblijfsstatus. Uit Eurodac volgt niet dat eiseres internationale bescherming geniet in Roemenië. Verweerder had een onderzoek moeten opstarten naar de actuele verblijfsrechtelijke status van eiseres in Roemenië. Ten onrechte stelt verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt zij bij terugkeer naar Roemenië in een slechte situatie zal terechtkomen en het dat het risico bestaat op ernstige schade. Eiseres is een alleenstaande minderjarige en zij is bijzonder kwetsbaar. Eiseres verwijst naar het Informatiebericht (IB) 2021/56. Verweerder heeft ten onrechte niet meegenomen dat eiseres in Roemenië gevangen is gehouden door de mensensmokkelaar die haar tijdens haar reis heeft begeleid. Terugplaatsing bij het gezin van deze mensensmokkelaar leidt tot een situatie strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Tot slot wijst eiseres op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 februari 2022.
4. Op 5 februari 2025 hebben de Roemeense autoriteiten op verzoek van verweerder schriftelijk bevestigd dat dat zij bereid zijn eiseres terug te nemen. Eiseres heeft haar beroepsgrond over de vraag of zij een verblijfsvergunning heeft in Roemenië ter zitting laten vallen. Ook heeft eiseres haar beroepsgrond over een afgeleide asielstatus ter zitting laten vallen, zodat de rechtbank zich over deze gronden niet zal uitlaten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de Roemeense autoriteiten aan eiseres internationale bescherming hebben verleend en dat de Roemeense autoriteiten bereid zijn eiseres terug te nemen. Reeds om die reden is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb, namelijk dat eiseres een zodanige band heeft met Roemenië, dat het voor eiseres redelijk is om naar dat land (terug) te gaan. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie leiden.
6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023 volgt dat verweerder ten aanzien van statushouders in Roemenië nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hieruit volgt dat de algemene omstandigheden in Roemenië niet zodanig zijn dat statushouders structureel het reële risico lopen dat zij geen toegang hebben tot fundamentele behoeften. De Afdeling gaat in haar uitspraak in op de 2021 update van het AIDA-rapport. In de nieuwe update van het AIDA-rapport zijn geen wezenlijke verschillen te vinden ten opzichte van het rapport van 2021.
7. Uit het IB 2021/56 volgt dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen als bijzonder kwetsbaar worden aangemerkt. Verder volgt daaruit dat het van belang om mee te wegen of in deze lidstaat opvang en voogdij aanwezig is en of daarvan, voor zover aangeboden, ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt.
8. Dat eiseres een kwetsbare minderjarige is zoals bedoeld in het IB 2021/56 en dat zij problemen heeft ondervonden met haar mensensmokkelaar, leidt niet tot het oordeel dat ten aanzien van eiseres niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit voorgenoemde rapporten van AIDA is voldoende af te leiden dat voorzieningen voor alleenstaande minderjarigen, zoals begeleiding, onderwijs, toegang tot sociale bijstand, procedures voor gezinshereniging en integratieprogramma’s aanwezig zijn in Roemenië. Bovendien blijkt uit het aanmeldgehoor dat eiseres ongeveer anderhalve maand in de opvang in Roemenië heeft verbleven. De gestelde omstandigheid dat eiseres in hetzelfde gezin wordt geplaatst in Roemenië maakt evenmin dat eiseres niet kan terugkeren naar Roemenië. Niet is immers gebleken dat eiseres wederom moet verblijven met het gezin waar zij eerst inwoonde. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar rechten in Roemenië niet zelfstandig kan effectueren. Daar komt bij dat niet is gebleken dat eiseres de door haar ondervonden problemen heeft gemeld bij de Roemeense autoriteiten. Van eiseres mag verwacht worden dat zij zich bij problemen wendt tot de (hogere) Roemeense autoriteiten of hiertoe aangewezen instanties. Uit de verklaringen van eiseres is niet gebleken dat zij daartoe voldoende inspanningen heeft verricht en dat de Roemeense autoriteiten eiseres niet kunnen of willen helpen.
9. In zoverre is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat niet van haar mag worden verlangd dat zij naar Roemenië terugkeert. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat niet gebleken is dat in het algemeen of specifiek in de situatie van eiseres een toestand dreigt te ontstaan van zeer verregaande materiële deprivatie als gevolg van onverschilligheid van de Roemeense autoriteiten. Verweerder heeft terecht overwogen dat het aan eiseres is om haar rechten als statushouder te effectueren.
10. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Het beroep is ongegrond.
11. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2013/32/EU.
Informatiebericht 2021/56 asielverzoeken van bijzonder kwetsbare statushouders.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2022:103 (XXXX t. België).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442.
ECLI:NL:RVS:2024:326.
Asylum Information Database, ‘Country Report: Romania’ (2021 update).
Asylum Information Database, ‘Country Report: Romania’ (2022 update).