Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:801
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,309 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38741 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag voor bepaalde tijd van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2024 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Tegen hem is reeds een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarbij hem een vertrektermijn is onthouden. Op 7 juni 2024 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst en eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit. Ook vormt eiser volgens verweerder een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Verweerder heeft daarom aan eiser een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd.
2. De afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond is als zodanig niet in geschil. Eiser is het echter niet eens met de beslissing om tegen hem een (zwaar) inreisverbod uit te vaardigen. Verweerder heeft daarbij volgens eiser ten onrechte niet relevant gevonden dat eiser aan Duitsland wordt uitgeleverd en dat Nederland in dat geval niet van plan is het terugkeerbesluit te effectueren. Het kan dan mogelijk nog jaren duren voordat eiser de Europese Unie daadwerkelijk kan verlaten en het terugkeerbesluit geëffectueerd kan worden. De beoordeling van de individuele feiten en omstandigheden die al dan niet moeten leiden tot een inreisverbod dient te worden gedaan op het moment dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod daadwerkelijk geëffectueerd
(kunnen) worden. Het inreisverbod is nu prematuur. Ook is van belang dat eiser in de gehoren heeft aangeven een kind te hebben binnen de Europese Unie. Tot slot meent eiser dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft onderbouwd. Verweerder heeft immers nagelaten het uitleveringsverzoek van Duitsland en de justitiële documentatie over te leggen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Uit het reeds tegen eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit en de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond volgt op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 62, tweede lid, van de Vw, dat verweerder gehouden is om tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen, tenzij hij op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw om humanitaire of andere redenen daarvan afziet.
In het geval de vreemdeling een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde kan daarbij op grond van artikel 66a, vierde lid van de Vw een zogenaamd zwaar inreisverbod worden uitgevaardigd, waarvan de duur op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb op ten hoogste tien jaar is bepaald.
4. Voor zover eiser stelt dat het inreisverbod geen stand kan houden, omdat hij een kind heeft in de Europese Unie, volgt de rechtbank dat niet. Zoals ter zitting bevestigd, volgt uit de verklaringen van eiser dat hij een kind zegt te hebben dat verblijft in het Verenigd Koninkrijk. Het inreisverbod is dan ook niet van invloed op de mogelijkheid voor eiser om eventueel familie- en gezinsleven met dit kind te onderhouden.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Verweerder is daarbij met verwijzing naar concrete strafrechtelijke antecedenten ingegaan op het persoonlijk gedrag van eiser. Verweerder heeft de ernst van de door eiser gepleegde feiten, de straf die daarvoor aan eiser is opgelegd, de sinds de veroordeling verstreken tijd en eisers gedrag sindsdien beoordeeld. Verweerder is bij dit alles ingegaan op de zienswijze van eiser. Met de opmerking in beroep dat de stellingen in de zienswijze worden gehandhaafd, heeft eiser niet onderbouwd in welk opzicht de motivering van het bestreden besluit op dit punt tekort schiet.
6. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding zouden moeten geven tot het achterwege laten van een inreisverbod, dan wel tot het beperken van de duur ervan. In het bestreden besluit is namelijk overwogen dat om eisers uitlevering is verzocht. Eiser betoogt terecht dat de omstandigheid dat eiser mogelijk strafrechtelijk wordt uitgeleverd aan Duitsland relevant is. Uitlevering aan een andere lidstaat betekent immers dat eiser niet wordt uitgezet naar zijn land van herkomst, terwijl hij zelf geen uitvoering kan geven aan zijn vertrekplicht. Aangezien een inreisverbod eerst in werking treedt na terugkeer van de vreemdeling rijst de vraag naar de evenredigheid van een dergelijke maatregel, zolang terugkeer feitelijk niet mogelijk is. Verweerder heeft zich hierover niet uitgelaten in het bestreden besluit. Verweerder heeft zich ter zitting weliswaar op het standpunt gesteld dat uitlevering vooralsnog niet aan de orde is, maar niet is gebleken dat dit voldoende door verweerder is onderzocht.
7. Verweerder heeft verder overwogen dat een inreisverbod voor de duur van 10 jaar passend is, gelet op “een lijst aan veroordelingen in zowel Nederland als andere Europese landen.” Een overzicht van bedoelde nationale en internationale antecedenten heeft verweerder echter niet opgenomen in het bestreden besluit. Evenmin heeft verweerder een recent uittreksel uit de Justitiële Documentatie op eisers naam overgelegd. Hiermee is niet voldoende inzichtelijk hoe eisers strafrechtelijke antecedenten van invloed zijn geweest op de duur van het uitgevaardigde inreisverbod.
8. Gelet op het voorgaande lijdt het bestreden besluit aan een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Daarvoor moet verweerder recente justitiële documentatie van eiser overleggen. Daarnaast moet verweerder zich uitlaten over de vraag of eiser al dan niet wordt uitgeleverd aan Duitsland en zo ja, nader motiveren waarom een inreisverbod voor de duur van 10 jaar ook in dat geval evenredig is. Verweerder kan dit doen met een aanvullende motivering van het bestreden besluit, dan wel met een nieuw of aanvullend besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan op 23 januari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Op grond van artikel 31, eerste lid jo artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, c en j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Vreemdelingenbesluit 2000.
Algemene wet bestuursrecht.