Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:7986
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,004 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7040
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Kattestaart),
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder
(gemachtigde: mr. P.S.J. de Koning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van een aanvraag om een toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 3 november 2023 heeft eiseres namens haar cliënt [naam] (de rechtzoekende) verzocht om een toevoeging voor het indienen van een verzoek tot toelating WSNP. Verweerder heeft de toevoeging geweigerd, omdat het vastgestelde inkomen van de rechtzoekende de wettelijk vastgestelde financiële grenzen overschrijdt en omdat het om een probleem gaat waarvoor geen advocaat nodig is.
2.1.
Eiseres heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt, namens de rechtzoekende en namens haarzelf. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de gevraagde toevoeging mocht weigeren.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Ook voor het indienen van een WSNP-aanvraag moet een toevoeging worden verleend. Dit volgt uit artikel 4 van het Bebr. Bij een zaakcode O033 wordt altijd de laagste eigen bijdrage opgelegd. In het kader van het arrangement Pilot WSNP wordt aansluiting gezocht bij deze zaakcode O033, werkinstructie ‘laatste eigen bijdrage’. In artikel 4, eerste lid onder c van de Bebr is bovendien geen periode gedefinieerd, dus de voorfase (het indienen van de WSNP-aanvraag) valt eronder.
Verder hanteert verweerder een onjuist toetsingskader om te bepalen of juridische bijstand noodzakelijk is. Verweerder verwijst daarbij ten onrechte naar de Advies Toevoeging Zelfredzaamheid. Zonder juridische bijstand kan een rechtzoekende geen succesvolle WNSP-aanvraag doen, gelet op recente ontwikkelingen in de jurisprudentie.
Het is onjuist dat voor WSNP-aanvragen geen toevoeging wordt verstrekt, want in het kader van de Pilot WSNP kan een select groepje advocaten wel een toevoeging krijgen. De huidige beleidsregels zijn dus in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zeker nu eiseres ook over de juiste competenties beschikt. Ook is er willekeur, omdat in een andere zaak wel een toevoeging is verkregen. Anders dan verweerder stelt, was dat geen toevoeging binnen het high trust systeem.
Subsidiair beroept eiseres zich op het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen belanghebbende is bij het besluit om de aanvraag om een toevoeging af te wijzen. De rechtbank legt hierna uit hoe ze tot dit oordeel komt en wat de gevolgen ervan zijn.
4.1.
Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend, gedateerd op 15 december 2023. Uit de bewoording en de ondertekening van het bezwaarschrift volgt dat eiseres namens zichzelf bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft op de zitting uitgelegd dat hij het bezwaarschrift zo heeft begrepen dat het ook is ingediend namens de rechtzoekende. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij namens zichzelf bezwaar heeft gemaakt en dat zij niet heeft bedoeld ook namens de rechtzoekende bezwaar te maken.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder op goede gronden het bezwaar zo heeft uitgelegd dat het in ieder geval namens de rechtzoekende is ingediend. Verweerder had echter gelet op de bewoordingen van het bezwaarschrift en dat wat eiseres tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht, moeten begrijpen dat eiseres (ook) namens zichzelf bezwaar instelde. Eiseres heeft als rechtsbijstandverlener echter geen belang bij de afwijzing van een aanvraag van de rechtzoekende om rechtsbijstand. Dit besluit stelt namelijk de aanspraak van de rechtzoekende op gefinancierde rechtsbijstand en het rechtsbelang waarvoor wordt toegevoegd vast en regelt niet de aanspraak op de vergoeding voor de rechtsbijstandverlener. Dat is alleen anders in bijzondere gevallen, waarvan in dit geval geen sprake is.
4.3.
Omdat eiseres geen belanghebbende is, had verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank komt daarom niet toe aan bespreking van de beroepsgronden.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, voor zover het ziet op het bezwaar van eiseres, in strijd is met artikel 1:2, eerste lid van de Awb, in samenhang met 7:1, eerste lid, van de Awb en artikel 8:1 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 21 november 2023.
6. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskostenvergoeding gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 mei 2024, voor zover daarin is beslist op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 21 november 2023;
- bepaalt dat het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 21 november 2023 niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit van 29 mei 2024;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.
Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:652.
Uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1970.