Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:7892
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,101 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/10069 en 24/10068
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2025 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: T.L. Winkel),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden
(gemachtigde: mr. E. Kuin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het e-mailbericht van 24 oktober 2024.
1.1.
Verweerder heeft verzoekster bij e-mail van 24 oktober 2024 informatie verstrekt. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 4 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Bij uitspraak van 24 januari 2025 is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster het griffierecht niet tijdig zou hebben voldaan zonder daarvoor een geldige reden te hebben.
1.3.
Bij uitspraak van 21 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter de uitspraak van 24 januari 2025 vervallen verklaard, nadat aannemelijk is geworden dat de griffierechtnota niet deugdelijk is aangeboden aan verzoekster. Daarmee is de voorlopige voorziening-procedure hervat in de status waarin het zich bevond.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Zij was daarbij voldoende geïnformeerd om niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening te doen, maar ook op het beroep.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;- verklaart het beroep ongegrond.
Beoordeling
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van de gemeente van 24 oktober 2024 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar puur een informatieve reactie op een door verzoekster ingevuld contactformulier. Verweerder heeft het bezwaar daartegen daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nu een beslissing op bezwaar wel altijd besluit in de zin van de Awb is, is het beroep van verzoekster daartegen daarom ongegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Wel raadt de voorzieningenrechter verzoekster aan om, mochten er civiele stappen ondernomen moeten worden, daarvoor hulp te zoeken bij bijvoorbeeld het Huurteam van de gemeente of een rechtsbijstandverlener die thuis is in het civielrecht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.