Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:7887
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26943
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: P.M.W. Jans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 3 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 juni 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft Jemenitische nationaliteit en is geboren op [datum] 2008. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit Jemen is vertrokken vanwege de oorlog en de slechte economische situatie.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het volgende geloofwaardig geachte relevante element:
- identiteit, nationaliteit en herkomst.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging en omdat hij bij terugkeer naar Jemen geen reel risico op ernstige schade loopt. Volgens verweerder is de vrees die eiser heeft voor vervolging ongegrond en loopt hij bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in Jemen. Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ex nunc toets beleidswijziging
De rechtbank overweegt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels; alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat eiser geen verblijfsvergunning heeft verkregen in tegenstelling tot anderen waarbij eerder op de aanvraag is beslist en die wel in aanmerking zijn gekomen voor een verblijfsgunning is zuur, maar kan – anders dan eiser betoogt - dus niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid. Ook het feit dat verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Immers er zijn meer vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden en waarvan de behandeling van de aanvraag (te) lang is blijven liggen. Het betoog van eiser dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of verbod op willekeur omdat reeds verleende verblijfsvergunningen niet worden ingetrokken volgt de rechtbank evenmin.
Zorgvuldigheid
4. Voor zover eiser klaagt dat uit de rechtsmiddelenclausule niet duidelijk blijkt wat de beroepstermijn is, kan dit reeds niet kan leiden tot de onrechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat eiser tijdig in beroep is gekomen. Niet is gebleken dat eiser op enige wijze in zijn belangen is geschaad.
5. De stelling van eiser dat tijdens het gehoor onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden slaagt evenmin, omdat eiser niet concreet heeft kunnen maken op welke momenten in het gehoor het volgens hem mis is gegaan en waar anders had moeten worden gehandeld.
Staat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling?
6. Eiser heeft tijdens zijn nader gehoor verklaard dat hij Jemen heeft verlaten vanwege de oorlog en de slechte economische situatie en dat hij persoonlijk niets heeft meegemaakt waardoor hij wilde vertrekken. Hij heeft verder uitdrukkelijk verklaard dat hij in Jemen nooit problemen heeft gehad vanwege – bijvoorbeeld – zijn geloof, nationaliteit of achtergrond. In de beroepsprocedure voert hij echter – onder meer onder verwijzing naar een bericht van zijn vader – aan dat hij wordt gezocht en dat zijn nichtje opzettelijk is overreden. Ook heeft hij een bericht en foto uit 2015 ingebracht. Verweerder mag zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling staat. Daartoe heeft verweerder van belang mogen achten dat de in beroep overgelegde stukken niet vallen te rijmen met eisers eerdere verklaringen en dat eiser hier geen verklaring voor heeft kunnen geven. Bovendien wordt in het geheel niet duidelijk waarom eiser plots wel zou worden gezocht en door wie.
Reëel risico op ernstige schade
7. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 28 november 2024 uitgelaten over de vraag of verweerder voldoende en op de juiste wijze rekening heeft gehouden met het actuele geweldsniveau en de humanitaire situatie in Jemen. Nu de overwegingen van die uitspraak, in de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing zijn, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar die uitspraak.
7.1.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is reeds hierom gegrond. Verweerder zal in een nieuw besluit ook (opnieuw) moeten beoordelen en motiveren of eiser door de humanitaire omstandigheden in Jemen een reëel risico loopt op een behandeling of situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM als hij terugkeert. De rechtbank geeft gelet op het voorgaande nog geen oordeel over de vraag of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld vanwege de door hem gestelde persoonlijke en individuele omstandigheden. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit de persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden die door eiser naar voren zijn gebracht moeten beoordelen in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar de vreemdeling vandaan komt. Daarbij is in ieder geval relevant dat hij minderjarig is.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is met de motiveringsplicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Nader gehoor, p. 4.
Nader gehoor, p. 5.
ECLI:NL:RBDHA:2024:19864
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, r.o. 6.4.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:7887 text/xml public 2026-04-30T11:04:18 2025-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-02-05 NL24.26943 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3463 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7887 text/html public 2025-06-05T14:05:32 2025-06-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:7887 Rechtbank Den Haag , 05-02-2025 / NL24.26943 asiel - identiteit, nationaliteit en herkomst - ex-nunc toets beleidswijzing - zorgvuldigheid - negatieve belangstelling - reëel risico op ernstige schade RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.26943 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: P.M.W. Jans). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 3 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 juni 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Eiser heeft Jemenitische nationaliteit en is geboren op [datum] 2008. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit Jemen is vertrokken vanwege de oorlog en de slechte economische situatie. 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het volgende geloofwaardig geachte relevante element: - identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging en omdat hij bij terugkeer naar Jemen geen reel risico op ernstige schade loopt. Volgens verweerder is de vrees die eiser heeft voor vervolging ongegrond en loopt hij bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in Jemen. Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten. Wat is het oordeel van de rechtbank? Ex nunc toets beleidswijziging De rechtbank overweegt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels; alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat eiser geen verblijfsvergunning heeft verkregen in tegenstelling tot anderen waarbij eerder op de aanvraag is beslist en die wel in aanmerking zijn gekomen voor een verblijfsgunning is zuur, maar kan – anders dan eiser betoogt - dus niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid. Ook het feit dat verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Immers er zijn meer vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden en waarvan de behandeling van de aanvraag (te) lang is blijven liggen. Het betoog van eiser dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of verbod op willekeur omdat reeds verleende verblijfsvergunningen niet worden ingetrokken volgt de rechtbank evenmin. Zorgvuldigheid 4. Voor zover eiser klaagt dat uit de rechtsmiddelenclausule niet duidelijk blijkt wat de beroepstermijn is, kan dit reeds niet kan leiden tot de onrechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat eiser tijdig in beroep is gekomen. Niet is gebleken dat eiser op enige wijze in zijn belangen is geschaad. 5. De stelling van eiser dat tijdens het gehoor onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden slaagt evenmin, omdat eiser niet concreet heeft kunnen maken op welke momenten in het gehoor het volgens hem mis is gegaan en waar anders had moeten worden gehandeld. Staat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling? 6. Eiser heeft tijdens zijn nader gehoor verklaard dat hij Jemen heeft verlaten vanwege de oorlog en de slechte economische situatie en dat hij persoonlijk niets heeft meegemaakt waardoor hij wilde vertrekken. Hij heeft verder uitdrukkelijk verklaard dat hij in Jemen nooit problemen heeft gehad vanwege – bijvoorbeeld – zijn geloof, nationaliteit of achtergrond. In de beroepsprocedure voert hij echter – onder meer onder verwijzing naar een bericht van zijn vader – aan dat hij wordt gezocht en dat zijn nichtje opzettelijk is overreden. Ook heeft hij een bericht en foto uit 2015 ingebracht. Verweerder mag zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling staat. Daartoe heeft verweerder van belang mogen achten dat de in beroep overgelegde stukken niet vallen te rijmen met eisers eerdere verklaringen en dat eiser hier geen verklaring voor heeft kunnen geven. Bovendien wordt in het geheel niet duidelijk waarom eiser plots wel zou worden gezocht en door wie. Reëel risico op ernstige schade 7. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 28 november 2024 uitgelaten over de vraag of verweerder voldoende en op de juiste wijze rekening heeft gehouden met het actuele geweldsniveau en de humanitaire situatie in Jemen. Nu de overwegingen van die uitspraak, in de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing zijn, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar die uitspraak. 7.1. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is reeds hierom gegrond. Verweerder zal in een nieuw besluit ook (opnieuw) moeten beoordelen en motiveren of eiser door de humanitaire omstandigheden in Jemen een reëel risico loopt op een behandeling of situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM als hij terugkeert. De rechtbank geeft gelet op het voorgaande nog geen oordeel over de vraag of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld vanwege de door hem gestelde persoonlijke en individuele omstandigheden. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit de persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden die door eiser naar voren zijn gebracht moeten beoordelen in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar de vreemdeling vandaan komt. Daarbij is in ieder geval relevant dat hij minderjarig is. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is met de motiveringsplicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. 9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.