Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:7884
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,243 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1439
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 6 december 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mr. R. Geraedts.
1.3.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen zijn daarbij in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven op de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2025.
1.4.
Partijen hebben hun schriftelijke zienswijze gegeven.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een nadere zitting achterwege gelaten.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. De vader van eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft op 17 augustus 2021 een verzoek ingediend om met zijn familieleden geëvacueerd te worden vanuit Afghanistan naar Nederland. Verweerder heeft dit verzoek toegewezen en daarmee ook eiser op de evacuatielijst geplaatst. Het is het gezin echter niet gelukt om het vliegveld te bereiken, waardoor zij uiteindelijk niet naar Nederland zijn geëvacueerd. Op 1 november 2021 heeft eiser opnieuw verzocht om overbrenging naar Nederland. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat eiser niet behoort tot het kerngezin van zijn Nederlandse vader. Verder valt eiser niet onder een van de twee groepen personen waarvoor in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 een speciale voorziening is getroffen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser mocht aan het feit dat hij aanvankelijk geplaatst was op de evacuatielijst en de Whatsappberichten die in dat kader zijn verstuurd het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij naar Nederland zou worden overgebracht. Verweerder handelt hiermee ook in strijd met het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel. Verder stelt eiser dat het begrip ‘kerngezin’ in Afghanistan een andere betekenis heeft dan in Nederland. Verweerder had dit vereiste dan ook niet aan eiser mogen tegenwerpen. Daarbij zijn er volgens eiser meerdere gevallen bekend waarbij ook gezinsleden die buiten het kerngezin vielen naar Nederland zijn geëvacueerd. In dat kader wijst eiser op een uitspraak van de Afdeling waaruit volgt dat in het geval van meer dan vijf gelijke gevallen een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 januari 2025 het hoger beroep van de broer en zus van eiser gegrond verklaard. Het feitencomplex in de zaak van eiser is identiek aan het feitencomplex in de zaken van de broer en de zus. De rechtbank sluit daarom aan bij het oordeel van de Afdeling. Het beroep op het vertrouwensbeginsel moet dus worden gehonoreerd. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
4.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus sprake is van een gerechtvaardigde verwachting, volgt de derde stap. Bij die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.
Stap 1: Toezegging
4.2.
Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
4.3.
Uit de e-mailwisseling van augustus 2021 blijkt dat de vader op 17 augustus 2021 een hulpverzoek heeft gedaan en in antwoord op de reactie op 18 augustus 2021 een overzicht heeft gestuurd van de namen van zijn familieleden en de betreffende familieband. Kortgezegd noemt hij zijn vrouw, zijn drie kinderen en de gezinsleden van zijn kinderen. Aan de vader is daarna, op 22 augustus 2021, vanuit het e-mailadres [e-mailadres] bericht dat hij en zijn kerngezin op de evacuatielijst zijn gezet en is gevraagd om verdere persoonsgegevens van zijn kinderen en vrouw. Eveneens is hem uitgelegd dat Nederland zich op dat moment richt op het evacueren van Nederlandse burgers, hun kinderen en hun echtgenotes. De vader heeft dezelfde dag aan dit verzoek voldaan door de gevraagde gegevens van de eerder door hem genoemde familieleden te mailen. Laat op de avond van 23 augustus 2021, heeft de vader een e-mail ontvangen van [e-mailadres] met daarin het verzoek zich diezelfde dag nog te melden op het vliegveld van Kabul voor evacuatie. Via WhatsApp heeft de vader contact gehouden met het ministerie en gevraagd om bevestiging dat hij zijn meerderjarige kinderen mee mag nemen. Tot driemaal toe is per Whatsapp bevestigd dat zijn kinderen en vrouw op de lijst staan en deze vier personen met hem mee mogen en zijn zij ook met naam genoemd. De rechtbank stelt vast dat de vader steeds transparant is geweest over de familiebanden en dat hij de relevante feiten juist en volledig heeft weergegeven.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde stukken aannemelijk hebben gemaakt dat aan hem een toezegging is gedaan. Hierna bespreekt de rechtbank wat aan hem is toegezegd.
4.5.
Bij een beroep op het vertrouwensbeginsel is leidend wat eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit de toezegging kon en mocht afleiden. Na de evacuatiefase is verweerder zich blijven inspannen om personen die niet op tijd geëvacueerd konden worden en daarvoor wel in aanmerking kwamen, naar Nederland over te brengen. Vaststaat dat personen die eerder een oproep voor evacuatie hadden gekregen maar niet konden worden geëvacueerd, met hulp van Nederland ook daadwerkelijk na de acute evacuatiefase naar Nederland zijn overgebracht. In deze zaak is op 27 augustus 2021, een dag na het eindigen van de evacuatiefase, aan de broer van eiser vanuit het e-mailadres [e-mailadres] bericht dat het de verzender van de e-mail spijt te horen dat zij nog vastzitten in Kabul, dat - onder meer – eiser nog steeds op de lijst staan om wanneer mogelijk naar Nederland te worden gehaald en dat zij zich schuil moeten houden in afwachting van verdere instructies. Gelet op de hiervoor, onder 4.3, uiteengezette toezegging mocht eiser er redelijkerwijs op vertrouwen dat ook hij daarvoor in aanmerking kwam.
Stap 2: Toerekening
4.6.
Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake, als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte, de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
4.7.
Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of de vertrouwenwekkende handeling aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Het burgerperspectief staat hierbij centraal: van belang is of de betrokkene in de gegeven omstandigheden er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat degene die de uitlating deed, de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Dit betreft een bevoegdheidsvraag.
4.8.
De e-mails zijn afkomstig van [e-mailadres] . Die mailbox is speciaal geopend voor deze situatie. Omdat berichten afkomstig van dit e-mailadres besluiten kunnen zijn van verweerder, mocht eiser er redelijkerwijs van uitgaan dat degenen die de uitlatingen deden, de opvatting van verweerder vertolkten.
Tussenconclusie stappen 1 en 2
4.9.
Eiser mocht, gelet op het voorgaande, de gerechtvaardigde verwachting hebben dat verweerder zich zou inspannen hem naar Nederland over te brengen.
Stap 3: belangenafweging
4.10.
Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. Het ligt op de weg van verweerder om dit toe te lichten.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen.
7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb nu zelf een beslissing nemen. Zij zal het besluit van 6 december 2021 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder zal zich daarom moeten inspannen voor de overbrenging van eiser op dezelfde wijze als hij doet voor kerngezinsleden van een persoon die een oproep voor evacuatie hebben gekregen.
8. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2024;
- herroept het primaire besluit van verweerder van 6 december 2021;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder tot betaling van €1.814,- aan de proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:210.
Kamerstukken II 2021-22, 27 925, nr. 860.
Eiser heeft hierbij de volgende V-nummers genoemd: 2906535021, 2906535102 en 2906535473.
Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0056.
Zie voetnoot 1.
Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
Uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592.
Besluit proceskosten bestuursrecht; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.