Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:7872
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,088 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12164
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 21 november 2023.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling
3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
5. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw is de termijn met negen maanden verlengd.
6. Met het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) Oekraïne van 22 maart 2022 is echter voor vreemdelingen afkomstig uit Oekraïne die een asielaanvraag indienen of hebben ingediend, de beslistermijn verlengd met een jaar. Met het besluit van 24 augustus 2022 is de geldigheid van het BVM verlengd met zes maanden. Met het besluit van 9 maart 2023 is de geldigheid van het BVM nogmaals verlengd met zes maanden en is bepaald dat de beslistermijn voor vreemdelingen afkomstig uit Oekraïne die een asielaanvraag indienen of hebben ingediend, is verlengd tot 21 maanden. Het BVM is vervolgens met de Kamerbrief van 6 september 2023 met drie maanden verlengd. De geldigheid van het BVM eindigde op 28 november 2023.
7. Eiser heeft zijn aanvraag ingediend op 21 november 2023, waardoor de aanvraag van eiser valt onder het in r.o. 6 genoemde BVM. De 21 maanden verstrijken in het geval van eiser op 21 augustus 2025. Dit betekent dat de ingebrekestelling van 27 februari 2025 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Conclusie
8. Het beroep is niet-ontvankelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van J. Yedema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Besluit van 22 maart 2022 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Oekraïne (Stscrt. 2022, 8675).
Besluit van 24 augustus 2022 tot het verlengen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Oekraïne (Stscrt. 2022, 22910).
Besluit van 9 maart 2023 tot het verlengen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Oekraïne (Stscrt. 2023, 9340).
Kamerstukken II 2022-2023, 19637, nummer 3163.