Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:779
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,057 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50655
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L. Soedamah),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Is sprake van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding?
1. Eiser betoogt dat sprake is geweest van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding en niet van een strafrechtelijke staandehouding. Daartoe voert eiser aan dat er ten tijde van de staandehouding geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Desondanks werd van hem verlangd zich te identificeren, terwijl een andere man - die zich eveneens op de locatie bevond - niet werd verzocht zich te identificeren. Deze verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding moet ertoe leiden dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd.
1.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de staandehouding blijkt dat verbalisanten op 11 december 2024 ter plaatse kwamen na een melding, omdat eiser samen met een andere man in een afgesloten fietsenstalling zou hebben geslapen en weigerde te vertrekken. Eiser is vervolgens staandegehouden omdat hij zich niet kon identificeren. Dit past binnen de uitoefening van de algemene politietaken. Van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding is dan ook geen sprake. Overigens blijkt uit hetzelfde proces-verbaal dat andere verbalisanten ook ter plaatse aanwezig waren en dat zij de andere man hebben aangesproken. Anders dan eiser stelt, blijkt uit het proces-verbaal niet dat de andere man zich niet heeft moeten identificeren.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij niet volstond met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet met een meldplicht heeft volstaan. Eiser is namelijk minderjarig, heeft geen strafblad en kampt met fysieke klachten. Daarnaast heeft eiser ernstige psychische klachten opgelopen door de inbewaringstelling, hetgeen in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verder duurt de inbewaringstelling al langer dan twintig dagen, waardoor de maatregel langer duurt dan strikt noodzakelijk. Dit alles is in strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Vooropgesteld moet worden dat uit het document ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ en de afwijzing van zijn asielaanvraag volgt dat eiser door de minister is aangemerkt als meerderjarig. De rechtbank ziet geen redenen om aan dit oordeel van de minister te twijfelen. De minister verwijst verder terecht naar de, niet betwiste, gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser in Nederland geen strafbare feiten zou hebben gepleegd, doet aan dat onttrekkingsrisico niet af. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij geen toegang heeft tot adequate medische zorg. In algemene zin geldt namelijk dat medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. Indien eiser meent dat de medische zorg in detentie voor hem niet voldoende is dan zal hij dat nader moeten onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan. Van strijdigheid met artikel 3 van het EVRM is dan ook geen sprake. Gelet op het voorgaande, had de minister dus niet hoeven te volstaan met het opleggen van een meldplicht.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, aangezien zijn nationaliteit onbekend is en de inbewaringstelling al meer dan twintig dagen duurt.
3.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij bij de Algerijnse autoriteiten een aanvraag heeft ingediend voor de verstrekking van een laissez-passer (lp) voor eiser. Uit de uitspraak van 6 mei 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat er in het algemeen (weer) zicht op uitzetting is naar Algerije binnen een redelijke termijn. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Het feit dat eiser niet beschikt over documenten en dat de inbewaringstelling al meer dan twintig dagen duurt is daarom onvoldoende voor het oordeel dat helemaal geen zicht meer bestaat op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn.
Handelt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser betoogt dat de minister niet voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, aangezien de inbewaringstelling al meer dan twintig dagen duurt en eiser nog steeds niet is gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister op 16 december 2024 en 30 december 2024 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Zoals ook al is aangegeven in rechtsoverweging 3.1, heeft de minister op zitting toegelicht dat hij bij de Algerijnse autoriteiten voor eiser een lp-aanvraag heeft ingediend. De rechtbank ziet niet hoe hieruit zou moeten volgen dat de minister niet voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Dat eiser nog niet is gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten maakt dit niet anders. De minister heeft, afgezien van de mogelijkheid om regelmatig te rappelleren, geen invloed op de snelheid waarmee de Algerijnse autoriteiten een lp-aanvraag beoordelen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voor de gemachtigde zichtbaar als stuk 48.
Voor de gemachtigde zichtbaar als stuk 33.
ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.