Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:7773
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,241 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7277
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J.M. Suijs).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder om haar eervol ontslag te verlenen vanwege een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 17 juni 2022 genomen. Met het besluit van 8 februari 2023 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Deze rechtbank heeft het door eiseres tegen het bestreden besluit I ingestelde beroep op 4 september 2023 op zitting behandeld. De rechtbank heeft met haar uitspraak het bestreden besluit I wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen. Verweerder heeft op 21 juni 2024 een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen (het bestreden besluit II).
1.3.
Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit II en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mr. G. Teunisse.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres was sinds augustus 1997 in dienst bij de politie. Vanaf oktober 2019 was zij werkzaam in de functie van Generalist Intelligence bij het team Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) van de Landelijke Eenheid.
2.1.
Verweerder heeft eiseres met het primaire besluit eervol ontslag verleend omdat – kort samengevat – haar houding en reacties over een langere periode ertoe zouden hebben geleid dat de arbeidsverhoudingen ernstig en onherstelbaar zijn verstoord. Met het bestreden besluit I heeft verweerder het primaire besluit aangevuld met de motivering dat van inspanningen tot herplaatsing elders binnen de politieorganisatie ten tijde van het ontslag geen resultaat was te verwachten. Ter ondersteuning hiervan heeft verweerder een verklaring van mevrouw [naam] overlegd, in het verleden de leidinggevende van eiseres bij de afdeling Generieke Opsporing binnen de Eenheid Den Haag. In deze verklaring stelt [naam] dat ook destijds sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding met eiseres en dat een herplaatsing door een nieuwe conflictsituatie ook toen niet heeft geleid tot een ander loopbaanperspectief.
2.2.
Het door eiseres tegen het bestreden besluit I ingestelde beroep is door deze rechtbank op 4 september 2023 op zitting behandeld. In haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de verklaring van [naam] op zichzelf niet tot de conclusie hoeft te leiden dat ook in de toekomst geen resultaat valt te verwachten van inspanningen tot herplaatsing elders binnen de politieorganisatie. Verweerder heeft hiermee miskend dat de politieorganisatie een grote organisatie betreft met verschillende eenheden. Ook is verweerder met die conclusie voorbij gegaan aan het feit dat eiseres al sinds 1997 werkzaam is binnen de politie en daarmee een lange staat van dienst heeft. Onder die omstandigheden had het op de weg van verweerder gelegen om concreet te onderzoeken of een herplaatsing elders binnen de politieorganisatie mogelijk zou zijn. Dit klemt te meer nu de Bezwaaradviescommissie HRM dit onderzoek in bezwaar heeft geadviseerd en eiseres te kennen heeft gegeven daar graag werkzaam te willen blijven. De rechtbank heeft het beroep dan ook gegrond verklaard en verweerder opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen.
2.3.
Met het bestreden besluit II heeft verweerder getracht nader te onderbouwen waarom van inspanningen tot herplaatsing van eiseres geen resultaat mocht worden verwacht. Verweerder geeft aan dat bij eiseres al vanaf 2017 sprake is van een zich herhalend patroon van onvrede over de functie, een steevast andere beleving van gebeurtenissen, het weigeren van aangeboden hulp, het niet willen tekenen van verslagen van gevoerde gesprekken en het niet nakomen van afspraken. Verweerder heeft hieraan verschillende gespreksverslagen ten grondslag gelegd. Volgens verweerder vindt dit gedrag van eiseres zijn oorsprong in de destijds niet vervulde wens van eiseres om vanuit haar toenmalige functie van Medewerker Tactische Opsporing bij de Eenheid Den Haag door te stromen naar de functie van Generalist Tactische Opsporing. Al met al is hierdoor volgens verweerder in de afgelopen jaren een zodanig ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk ontstaan dat er geen basis meer is voor een vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van de arbeidsrelatie in redelijkheid niet verlangd kan worden.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres betoogt in de eerste plaats dat verweerder heeft nagelaten om concreet onderzoek naar te doen naar de mogelijkheid om haar elders binnen de politieorganisatie te plaatsen. Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan de opdracht die de rechtbank in haar eerdere uitspraak heeft gegeven. Eiseres benadrukt in dat kader dat met haar kennis en kunde genoeg mogelijkheden zijn om haar elders binnen deze organisatie te plaatsen. Dat heeft zij in het verleden ook op verschillende plekken bewezen. Eiseres verklaart zich ook bereid om iedere passende functie binnen de politieorganisatie te vervullen. Mocht desondanks komen vast te staan dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en dat van herplaatsing van eiseres binnen de politieorganisatie geen resultaat te verwachten valt, stelt eiseres zich subsidiair op het standpunt dat verweerder een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Dit maakt dat eiseres recht heeft op financiële compensatie van het aan verweerder toe te rekenen aandeel.
Tot slot verzoekt eiseres de rechtbank gelet op de hevige impact die deze zaak op haar heeft om bij een gegrond beroep verweerder niet op te dragen nogmaals een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen maar zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het ontslag komt te vervallen en eiseres weer in dienst van de politie komt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit II gebrekkig is gemotiveerd en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarmee gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Voor het ontslagbesluit geldt dat de in deze zaak toegepaste ontslaggrond kan worden toegepast als sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat het daardoor niet redelijk is om voortzetting van het dienstverband te verlangen. Dit betekent dat bij het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen om een herplaatsing voor elkaar te krijgen geen resultaat te verwachten is. Bij een dergelijk ontslag hoort dat de ontslagen politieambtenaar een redelijke financiële regeling krijgt. Deze regeling mag financieel gezien niet minder zijn dan de uitkering die zou worden ontvangen in geval van bijvoorbeeld een ontslag vanwege arbeidsongeschiktheid. Deze financiële regeling kan onvoldoende zijn wanneer vast komt te staan dat verweerder een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. In dat geval ontstaat echter geen recht op een volledige schadevergoeding, maar om compensatie van dat aandeel. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis.
4.2.
In de eerdere uitspraak van 5 december 2023 heeft deze rechtbank verweerder de opdracht gegeven om – gelet op de grote omvang van de politieorganisatie, de lange staat van dienst van eiseres en haar uitdrukkelijke wens om binnen de politieorganisatie werkzaam te blijven – concreet te onderzoeken of een herplaatsing van eiseres elders binnen de politieorganisatie mogelijk is. Door partijen is geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, waardoor het daarin vervatte oordeel in rechte vast staat en de rechtbank van de juistheid hiervan moet uitgaan.
4.3.
De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder met het bestreden besluit II niet heeft voldaan aan deze door de rechtbank gegeven opdracht. Er is namelijk niet concreet onderzocht of herplaatsing van eiseres binnen de politieorganisatie mogelijk is. Als verweerder zich op het standpunt stelt dat hiervan geen resultaat valt te verwachten, lag het op zijn weg om tegen de eerdere uitspraak van deze rechtbank op dit onderdeel hoger beroep in te stellen. Verweerder heeft dit echter nagelaten en daarmee in het oordeel van de rechtbank berust.
4.4.
Hoewel de rechtbank erkent dat deze procedure zich inmiddels gedurende langere tijd voortsleept en het voorstelbaar vindt dat dit een onzekere situatie voor eiseres oplevert, ziet de rechtbank geen aanleiding om, overeenkomstig het verzoek van eiseres, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het ontslag komt te vervallen en eiseres weer in dienst van de politie komt.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheden het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal binnen een termijn van 8 weken een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast moet verweerder de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze worden begroot op € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Tot slot moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II;
- bepaalt dat verweerder binnen een termijn van 8 weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden;
- gelast dat verweerder de proceskosten van eiseres vergoedt tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 95, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement (Barp).
ECLI:NL:RBDHA:2024:3982.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) van 26 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1289.
Zie artikel 95, tweede lid, van het Barp, in samenhang gelezen met artikel 97 van het Barp.
Zie de uitspraak van de CRvB van 7 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1803.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801.