Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:7768
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,784 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7144
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de korpschef van de politie, verweerder
(gemachtigde: P.J. van Neijhof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit dat er onvoldoende waarborgen bestaan dat hij betrouwbaar kan worden geacht om werkzaamheden voor de politie te verrichten.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 14 december 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 11 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft gesolliciteerd naar de functie van Contractmanager bij de politie. In het kader van de sollicitatieprocedure heeft een onderzoek naar zijn betrouwbaarheid plaatsgevonden. Verweerder heeft hieruit geconcludeerd dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser betrouwbaar kan worden geacht om werkzaamheden voor de politie uit te voeren. Als reden hiervoor geeft verweerder dat uit het betrouwbaarheidsonderzoek is gebleken dat eiser gedrag vertoont en meningen is toegedaan die strijdig zijn met de normen en waarden van de politie. Ook is tijdens het betrouwbaarheidsonderzoek de indruk ontstaan dat hij geen volledige openheid wilde verschaffen in zijn sociale media.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de conclusie van verweerder dat er onvoldoende waarborgen zouden zijn dat hij betrouwbaar kan worden geacht om werkzaamheden voor de politie te verrichten. Eiser heeft zich tijdens het betrouwbaarheidsonderzoek slechts uitgesproken over zijn politieke voorkeur. Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan discriminatie door hem op grond van deze uitlatingen, die bovendien door de onderzoeker verkeerd zijn geïnterpreteerd, uit te sluiten van het verrichten van werkzaamheden voor de politie.
Daarbij benadrukt eiser dat hij beschikt over een ongeschonden blazoen. Hij heeft geen strafblad of BKR-registraties. Ook is aan hem in een eerder stadium een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) verstrekt en heeft hij tweemaal zonder problemen een veiligheidsonderzoek doorlopen bij Defensie.
Verder is verweerder met de beslissing voorbij gegaan aan de omstandigheid dat drie referenten positief over de geschiktheid van eiser voor de functie hebben verklaard.
Voorts bestrijdt eiser dat hij tijdens het betrouwbaarheidsonderzoek geen volledige inzage heeft verschaft in zijn sociale media. Hij heeft zijn telefoon, waarop op dat moment zijn Instagram-pagina was geopend, namelijk aan de onderzoeker van het betrouwbaarheidsonderzoek gegeven. Zijn sociale media bevat daarnaast geen aanstootgevende of racistische inhoud. Afgezien daarvan was hij niet verplicht om aan het onderzoek met betrekking tot zijn sociale media mee te werken.
Tot slot stelt eiser aan de orde dat het verslag van de hoorzitting in de bezwaarfase onjuistheden bevat.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser betrouwbaar kan worden geacht om werkzaamheden voor de politie uit te voeren. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling of iemand voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers die werkzaam zijn voor de politie mogen, gelet op de aard van deze werkzaamheden, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere dienstbetrekkingen. Een politiemedewerker heeft een belangrijke voorbeeldfunctie binnen de maatschappij. Van een politiemedewerker mag worden verwacht dat hij zich zowel tijdens werktijd als privétijd houdt aan de rechtsregels en ervoor zorgt dat zijn gedrag het imago van de politie niet schaadt. Hij hoort in alle gevallen betrouwbaar te zijn. De samenleving verwacht dat een politiemedewerker zorgvuldig en adequaat handelt en daar verantwoordelijkheid voor neemt en daar transparant over is. De betrouwbaarheid en integriteit van (toekomstig) medewerkers van de politie moet daarom boven iedere twijfel verheven zijn.
4.2.
In het gespreksverslag van het interview dat op 9 november 2023 heeft plaatsgevonden in het kader van het veiligheidsonderzoek staat vermeld dat eiser bij de bespreking van het onderwerp ‘Maatschappijvisie’ tegenover de onderzoeker heeft verklaard dat hij altijd een kritisch en sceptisch burger is geweest. Zo is hij van mening dat COVID-19 geen virus is maar bewust de wereld in is gebracht om te kijken hoe de mensheid daar wereldwijd op reageerde. Nadat de onderzoeker hierover doorvroeg bij eiser, verklaarde hij dat COVID-19 een experiment was van het globale geldsysteem. Op de vraag van de onderzoeker wat hij hiermee bedoelde, antwoordde eiser dat het “niet alleen om joden gaat, maar toch wel overwegend zionistische organisaties en families, de Rockefellers, de Rothschilds, Big Pharma, de banken en mensen in het financiële apparaat.” Aan het einde van het verslag staat vermeld dat eiser op deze verklaring wilde terugkomen, maar wel heeft toegegeven dat hij het wel op die manier had gezegd. Verder bestaat het kabinet volgens eiser uit “poppetjes die er zijn neergezet.” Oorlogen worden geregisseerd door dezelfde families en instanties die achter COVID-19 zitten, met als doel om de kloof tussen arm en rijk te vergroten. Zij sturen bewust aan op de ontwrichting van de samenleving. Op de vraag van de onderzoeker hoe het volgens hem dan zit met de politieke situatie in Nederland, antwoordde eiser dat volgens hem externe onafhankelijke en niet publieke organisaties als het World Economic Forum en de Wereldgezondheidsorganisatie de politieke agenda’s bepalen. Dit is ook gebeurd ten tijde van de COVID-19 pandemie, onder invloed van Big Pharma. Blijkens het verslag heeft eiser aan het einde van het interview aan de onderzoeker verzocht of nog in het verslag kon worden opgenomen dat “er globalistische instituten en machtsstructuren zijn, die de complexe westerse samenleving en de problemen die er momenteel zijn bewust in stand willen houden in verband met hun financieel gewin.”
Verder staat in het verslag onder het onderwerp ‘Multimedia’ vermeld dat het in de voorbereiding van het onderzoek niet lukte om de door eiser gebruikte sociale media te vinden en te bekijken. Op de vraag van de onderzoeker om hier tijdens het gesprek alsnog inzicht in te geven, reageerde eiser uiterst terughoudend en gaf te kennen zijn sociale media niet te willen openen op de laptop van de onderzoeker. Eiser was wel bereid om zijn Instagram-account op zijn eigen telefoon aan de onderzoeker te laten zien. Op het eerste scherm waren vervolgens afbeeldingen van onder andere Donald Trump en Mark Rutte zichtbaar. Verder waren ook andere personen en diverse geschreven teksten zichtbaar die door de onderzoeker niet werden herkend. Daarbij merkte de onderzoeker op dat het door de weigering van eiser om zijn sociale media op de politie-laptop te laten zien niet mogelijk was om de door hem gebruikte sociale media verder te onderzoeken. Ook nam de onderzoeker waar dat eiser zich bij het laten zien van zijn Instagram-account ongemakkelijk voelde.
4.3.
Uit wat eiser en de onderzoeker tijdens het gesprek hebben besproken onder het onderwerp ‘Maatschappijvisie’ leidt de rechtbank af dat eiser een groot wantrouwen koestert tegenover de overheid en andere publieke instanties. Met name de uitlating van eiser dat “het kabinet bestaat uit poppetjes die er zijn neergezet” vindt de rechtbank daarvoor kenmerkend. De rechtbank is het met verweerder eens dat dergelijke uitlatingen niet passen bij een politiefunctionaris en dat deze imagoschade voor de politie kan opleveren. De politie is namelijk een uitvoerende organisatie van diezelfde overheid waartegen eiser blijkens zijn afgelegde verklaringen een groot wantrouwen koestert. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder zich hiermee niet schuldig gemaakt aan discriminatie op grond van zijn ras of politieke voorkeur. Verweerder heeft de feitelijke uitlatingen van eiser slechts getoetst aan de normen en waarden van de politie en is op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat deze onverenigbaar met elkaar zijn.
Dat de uitspraken van eiser tijdens het onderzoek verkeerd zouden zijn geïnterpreteerd, volgt de rechtbank niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser betrouwbaar kan worden geacht om werkzaamheden voor de politie uit te voeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 48q, vierde lid, van de Politiewet 2012 (de Politiewet).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2447.
Zie de brochure ‘Beroepscode Politie’.